Foto’s met context

Een parasol die tegen de felle zon beschermt. Fotomoment dus. Klik voor groot!

Een van de dingen die ik het moeilijkst vind, is foto’s maken met context. Ik ben overtuigd dat alles, ja echt alles zinvol is te fotograferen mits je er een verhaal van kan maken. En dat alles in een beeld vervat. En het plaatsen van context doe je met beeldelementen. Ik schreef al eerder over beeldelementen hier en hier. Zij helpen de kijker de foto te interpreteren.

In het ideale geval weet je met een blik meteen waar de foto genomen is, wat de situatie was en in welke context de getoonde handeling geplaatst moet worden. Je hoeft niet na te denken van ” ummm… wat wat dat ook al weer?” Die informatie hoort in dat ene beeld vervat te zijn. En ja, dat vind ik soms wel moeilijk.

 

Kiekje erbij?

Ik doe daar niet moeilijk over om dat te erkennen. Je moet niet alleen kijken, maar je moet het verhaal ook zien. Een blik op mijn harde schijf laat je veel, heel veel foto’s zien die context missen en je dus niet alles vertellen. Kiekjes dus. Nu vind ik kiekjes niet erg – ze horen erbij. Zeker in een serie waar minstens een verhalende en helpende foto zit blijven ze wel eens een tijdje hangen. Verder kan je kan er vaak niet veel mee en ze nemen ruimte in.

De foto hierboven is er een waar wel een verhaal in zit. Kijk er eens naar (hier in het groot) en vraag je af wat je nu echt ziet.

Het is duidelijk een doek met een herkenbare standaard. Dat moet wel een parasol zijn. Een paraplu is het niet, want die is ondoorzichtig en hier komt een puist licht doorheen. Dat licht moet dan de zon zijn. Er is dus een felle krachtige zon. Dat moet zomer zijn. De stang staat ook nog gebogen dus de zon staat al lager aan de hemel, dus het is waarschijnlijk al in de vroege avond. Verhaal: het is zomer en warm en een kleurige parasol werpt een schaduw, en beschermt tegen de felle warmte.
Je hebt hem. Een beeld van een warme zomeravond.

Het klopt ook wel. Ik maakte deze foto op 1 juli 2018 om 20.11 uur. Het avondeten was al door het kanaaltje, borden stonden nog op tafel, we zaten uit te buiken en mijn oog viel op de parasol die mij beschermde tegen het felle licht. Die parasol had ik uitgeklapt, omdat ik anders door het tegenlicht mijn vriendin niet goed kon zien. Ik zag het verhaal, greep mijn camera die naast mij lag (jawel! houd de camera altijd in de buurt!) en maakte deze foto. Ik maakte er overigens meer, maar koos deze uit.

Je moet dus a. kijken en b. zien. Liefst altijd, want situaties komen doorgaans maar een keer voorbij.

Niet werkende voorbeelden

Hier is een foto die voor mijn gevoel niets of weinig vertelt. Zelf weet ik de context wel, en ten tijde van de foto vond ik de opname heel gerechtvaardigd, maar als ik er nu naar kijk met wat meer afstand, is mijn eerste gedachte “Juist ja…”. Als ik dat denk, zal een ander die de context niet kent dat zeker denken!

In casu: er drijft een woning half in het water. Op het dak staan spullen gestald. Een persoon op het dak, een ander komt vanuit de zolder door het raam. Lijkt op een overstroming. En dan? Ik mis de context in het beeld. Waar gaat dit over?

 

 

 

 

In werkelijkheid was dit de voorstelling Mare van theatergroep Vis-a-Vis  uit Almere. Deze voorstelling uit 2017 gaat over klimaatverandering en overstroming door overvloedige regenval. Voor deze voorstelling was er een compleet bassin aangelegd en de voorstelling handelde dus ook in en op het water. Het blauwgrijze schot op de achtergrond schermde voorbereidende handelingen van de groep tijdens de voorstelling af voor het publiek. Links en rechts van dat schot kwamen dan humoristische “noodsituaties” in beeld drijven, zoals een nieuwslezer die de volgende ramp beschreef.

Maar zegt het iets in de foto? Nope. En dus bleven de foto’s slingeren op de harde schijf. Meer voor mijzelf, omdat ik de voorstelling gezien had en de foto’s zelf de context kan plaatsen. Of gebruiken in een blogje over beeldelementen.

Overigens zijn de foto’s niet in het geniep genomen. Vis-a-Vis stimuleert en promoot het gebruik van eigen fotomateriaal. “Neem zo veel en zo vaak mogelijk foto’s! Dat vinden wij helemaal niet erg!”, zeggen ze altijd bij het begin van een voorstelling (ik heb er meer gezien).  Dus doe ik dat maar 🙂

Conclusie

Maar de bottom line is: Als je foto’s maakt, probeer er dan met beeldelementen een verhaal in te stoppen. Dat is niet makkelijk, en soms verkijk je je erop. Maar als het lukt, heb je een verhaal in een beeld waar meer in zit dan alleen maar een plaatje.

 

Wilt u meer weten of fotografie, volg dan eens een workshop!

 

Loving the Alien!

In Tussenringen en wat kan je ermee schreef ik over mijn nieuwe set tussenringen waar ik veel mee van plan was. Lees die blog even als je dat nog niet gedaan hebt. Ik wacht wel even. Dan kijk ik tussendoor nog even naar deze alien die ik met mijn nieuwe tussenringen mocht fotograferen!

Een libel in de tuin. Het lijkt wel een alien. Klik voor groot! 1/200s / f5,0 / ISO 500.

Vorige week werd de tuin nogal bezocht door libellen en net als in 2015 ging ik op jacht. Met macro-objectief en alle tussenringen erbij, dus met een vergroting van 1,75x. Ik wilde ze toch wel hebben in mijn collectie en wilde ze dit keer niet laten ontsnappen. Ik zag dat deze libellen, ik denk dat het er twee of drie waren, nogal eens over de tuin heen vlogen en tussendoor op vaste en voorspelbare plaatsen in de zon neerstreken. Dat kan kloppen: volgens wikipedia hebben libellen behoefte aan warmte. Ze strijken dus neer op warme oppervlakten in de zon, drukken hun lichaam omlaag en spreiden hun vleugels om niet in hun eigen schaduw te zitten.

Daar kwam uiteindelijk deze foto uit. Deze libel streek zo vaak neer op een warm blad in de heg dat het geen toeval meer kon zijn. Ik besloot het er op te wagen en naderbij te sluipen. Langs de heg, heel langzaam steeds dichterbij. De libel moet mij wel gezien hebben. Ik zag het oog aan deze kant draaien en mij in de gaten houden. Soms keek hij heel even de andere kant op, dan weer snel naar mij. Maar hij ging niet weg. Camera richten, handmatig scherpstellen en klik. Ik kon zelfs een aantal foto achter elkaar maken, voordat ik besloot dat het genoeg was.

Libellen! Mooie dieren zijn dat. Sierlijk. Gracieus. Elegant. Maar van dichtbij komen ze van een andere planeet. Dan hebben ze hun uiterlijk niet mee.

Maar wat vind ik nu van tussenringen?

Ja geweldig! Handzaam en klein. Niet kwetsbaar, makkelijk in te klikken en toe te passen. Ik heb meer vergroting! Een foto als deze had ik een paar jaar geleden niet kunnen maken. Maarrrrr…. je loopt ook heel snel tegen de effecten van de belichtingsdriehoek aan. Doordat je dichter op het onderwerp kan kruipen wordt de scherptediepte heel snel heel erg klein. Scherptediepte wordt namelijk bepaald door vier variabelen: diafragma, brandpuntsafstand, afstand tot het onderwerp, en de grootte van de sensor. Ik zat al dicht op het onderwerp en dus werd de scherptediepte al snel te klein: hier verlopen de zijdelingse vleugels uit het scherpte gebied. En als je naar het oog kijkt, kun je de facetten boven wel onderscheiden, iets naar beneden verdwijnen ze, overigens niet storend, uit beeld.

De scherptediepte moet je dus vergroten door het diafragma meer te sluiten. Dat betekent dat het lichtverlies op de sensor moet worden gecompenseerd door een langere sluitertijd (let op bewegingsonscherpte) of een hogere ISO (let op ruis). Dat is de belichtingsdriehoek ja. Binnen die driehoek zit ergens een leuke foto.

Kan je iets met tussenringen?

Ja zeker, anders bestonden ze niet. 😉  Maar je hebt echt wel meer licht nodig als je tussenringen gebruikt. Dat betekent buiten in de zomer, of binnen in de studio. Met “gewoon” licht loop je snel tegen grenzen op.

En wat vind ik van de foto? Ondanks dat ik te dealen had met een geringe scherptediepte, vind ik deze foto echt niet onaardig. Ik denk niet dat de gemiddelde burger deze alien aan de muur wil hebben, maar voor de liefhebber staat de foto in een aparte map op Werk aan de Muur.

Wilt u meer weten over fotografie? Volg dan eens een workshop!

Hoe zit dat met scherpe schaduwen?

Ik loop vaak rond met een camera. Eigenlijk altijd. Voor de grap zeg ik wel eens dat er maar twee momenten zijn dat ik geen camera bij mij heb, en die zijn als ik slaap of onder de douche sta. En verder klopt het wel. Mensen zien mij dus nogal eens buiten met een camera rondstappen en soms zeggen ze het befaamde “Nou, het is mooi zonnig weer om mooie foto’s te maken!” En dan bijt ik op mijn lippen om niet te bijdehand te zijn. Eigenlijk wil ik helemaal geen zon als ik buiten fotografeer. Eigenlijk wil ik “gewoon” wolken. Felle zon levert scherpe schaduwen op. Dan kun je helemaal geen mooie foto’s maken. En eigenlijk wil ik dat gewoon zeggen. Maar dat laat ik maar zitten haha 🙂

Scherpe schaduwen krijg je namelijk als er een enorme puist licht onbelemmerd en van een richting op het onderwerp valt. En aangezien licht zich in een rechte lijn voortplant krijg je in zo’n situatie dus een onderwerp dat aan een kant fel verlicht is, de andere kant helemaal donker is, met daar tussenin een vlijmscherpe schaduwrand. Dat wil je doorgaans niet, tenzij je natuurlijk zo’n baanbrekende albumhoes als die van With The Beatles wil maken 🙂

Probeer het zelf maar eens. Pak eens een lamp of een led-zaklantaarn (die bundelt en straalt zo lekker) en richt die op een plat oppervlak. Hou je hand dan vlak voor het oppervlak en je krijgt dan een schaduw met messcherpe randen. Beweeg je hand van het oppervlak weg en de schaduwranden wordt vager (diffuser) door de verstrooiing van het licht.

Dat gebeurt dus ook met de zon. Hoewel de zon ENORM is (de diameter is 109 maal die van de Aarde en er passen een miljoen Aardes in) staat hij vanwege de afstand van 150 miljoen kilometer toch tamelijk klein aan de hemel. En een kleine lichtbron (dus ook de felle zon op afstand) geeft harde schaduwen en scherpe randen.

Mooi gezegd, dus ik plaats wat voorbeelden. Geen mensenportretten, want felle zon van boven werpt vaak een schaduw net onder de ogen zodat dan het lijkt als de persoon wallen ter grootte van de Afsluitdijk hebben. Bovendien gaan mensen in fel zonlicht vaak knijpen met de ogen en dat ziet er ook niet florissant uit. Dat wil ik ze niet aandoen. Dus ik pak wat bloemenfoto’s die ik zowel in felle zon had gefotografeerd en een dag later met bewolking. Bovendien: bloemen hebben geen idee van de AVG en zullen ook niet protesteren als hun beeltenis gebruikt wordt.

Dit zijn twee foto’s van blauwe druifjes. Op twee dagen gefotografeerd waarbij de eerste dag de zon fel scheen en het op de tweede dag bewolkt was. Vergelijk eens. Welke foto vind je mooier?

 

Ik hoop dat je de tweede kiest. De eerste foto is knalhard, harde kleuren, harde schaduwen, helemaal niet lievig en zacht zoals op de tweede foto. Maar het is wel dezelfde bloem. Dezelfde zon. En op de tweede foto met een wolkendek die de zon afschermt.

En dat is de reden waarom ik voor buitenfotografie het liefst bewolking heb.  Die wolkenlaag verstrooit het licht en zorgt voor meer egale belichting, weinig of geen schaduwen en meer zachte pastelkleuren. Het komt dan allemaal mooier op de foto.

Wilt u meer weten over fotografie? Volg dan eens een workshop!

 

 

Bijsnijden van een foto

Soms moet ik wel eens foto’s bijsnijden. Nee, dat is niet waar. Ik snijd regelmatig bij, om afleidende zaken in een foto met harde hand weg te krijgen, als ik die niet in Photoshop kan wegmoffelen. Ik streef er namelijk naar elke foto “in-camera” al helemaal goed te hebben, maar soms vind ik de compositie achteraf toch niet zo goed, of vind ik dat een element in beeld bij nader inzien afleidt en beter weg kan zijn. Dan zet ik het mes in de foto, en huppetee, weg is het probleem. Maar ik snij wel met mate.

Dat snijden kun je niet onbeperkt doen. Je bent wel bezig in een digitale foto met meestal flink wat pixels, maar uiteindelijk ga je het zien. Wat je precies doet is namelijk pixels wegsnijden. Ga je daarna de foto weer opblazen naar bijvoorbeeld het oorspronkelijke formaat, dan vergroot je de pixels. Snijd je veel pixels weg, dan zal je de foto misschien meer moet vergroten en dan zie je de aanwezigheid van pixels zichtbaar opduiken. En binnen Photoshop kun je ook andere processen aanroepen om te vergroten, zie schermafbeelding, maar die processen maken je foto ook niet vrolijker. Ik zie dan juist meer kriebels, flubbers en kleurspikkels opduiken.

Dan krijg je dit

Als voorbeeld neem ik een foto van de maan die ik in april 2018 maakte. De setup was gewoon in de huiskamer: statief met daarop een Canon 5D Mark 2 en een 24-105 mm F/4 objectief. Mijn oude vertrouwde Canon 5D Mark 2 (jaaaa, het is een ouwetje, maar hij was goed toen en is goed nu. Lees deze blog dan!) Heeft een resolutie van 5616×3744 pixels, dus zeg 21,1 Megapixel (5616 x 3744 – 21026304). Lekker hoog dus, daar kan je in normaal gebruik wel mee vooruit, zolang het maar niet te klein is en er veel beeld om het object heen zit.

Eerst maar de oorspronkelijke foto, met wat lichte bewerking. De maan aan een onbewolkte zwarte hemel. Maar hij is wel heel klein. Er zijn geen afleidende zaken in beeld, maar toch, dit is te klein. Dat kan niet.

Nabewerking

Ik ga de foto bewerken. Ik snijd wat zwart weg en vergroot de foto naar de oorspronkelijke maten. Ik doe een beetje witbalans en pep de kleur wat op. Iets scherper gezet. Verder niets. Dit komt eruit. Ik vind het wel een grappig beeld, dat zich boven verwachting ontwikkelt. Om criticasters voor te zijn: deze foto is niets vergeleken met de prachtfoto’s die ik wel eens zie met close-ups, grote kraters, bergkammen, en -ruggen, schaduwpartijen. Dit is alleen maar een rond bolletje dat voor de helft verlicht is. Precies op de terminator (de scheidslijn tussen licht en schaduw) zijn meer details zichtbaar. Ik ben tevreden met dit resultaat, omdat ik op het punt stond naar bed te gaan en toen de felle maan zag. Aangezien je die zomaar niet kan bestellen werd het slapen even uitgesteld, statief gepakt, camera er op, uitrichten en schieten maar. Ik zat lekker impromptu te schieten achter het raam. Maar verder is dit plaatje alleen geschikt als decoratie bij een artikel of een blog zoals deze. De foto blijft verder hangen op de harde schijf.

Opblazen

Voor de strekking van deze blog besluit ik deze foto verder op te blazen naar onredelijke proporties.

Ik snijd daarvoor het merendeel van de foto. Kijk eens naar de oorspronkelijke foto, en vergelijk eens met deze. Deze uitsnede blies ik weer op naar 5616 x 3744 pixels en exporteerde dat weer naar 1200 x 800 pixels voor de upload. Daar kwam deze uitsnede uit.
Je ziet nu dat details wel zichtbaar zijn, maar lang niet zo scherp als je zou willen, ongewenste artefacten worden zichtbaar. Dat komt omdat de pixels opgeblazen zijn. Scherpte verdwijnt, details verdwijnen en er komen hier en daar rare streepjes en randjes in beeld.

 

De messcherpe maanfoto’s die je wel eens ziet, zijn ook helemaal niet genomen met een objectief op 105 mm, maar met een objectief met een bereik van minstens 600 mm.

Moraal:

De moraal van het van het verhaal is dus:
schiet zoveel mogelijk “in-camera”, zodat de ruwe foto al grotendeels compleet is. Als je dan toch wilt/moet bijsnijden om de foto te verbeteren, snij dan niet te veel weg, tenzij je er van af ziet om de foto weer daarna te vergroten. Een foto is wel digitaal, maar je kan er niet alles mee doen.

 

Haaa, die lente!

“Als de lente kommmmtttt, dan stuur ik…”

mijzelf het liefst naar buiten!

Jawel! Het is eindelijk lente! Deze blog lag al even klaar in februari, maar toen kwam eind februari ineens die flap winterse/polaire/arctische/Siberische (doorhalen wat niet van toepassing is) vrieskou over ons heen. Alle ontluikende natuur stond in een keer stil, bloemen trokken zich als het ware terug in de grond, vorst, sneeuw, ijs… dus ja, dan ga je niet opgewekt kakelen over een lente die niet in velden of wegen te bekennen is. De lente hort en stoot nu, maar die is echt onderweg en hier zijn wat tips om straks lekker buiten bezig te zijn met je camera.

1. Kleed je goed aan! De lente mag zich wel aandienen, maar dat wil niet zeggen dat het meteen warm en behaaglijk is. Zeker eind februari en maart wordt het vaak nog behoorlijk koud en kan het ook nog wel sneeuwen. En je bent waarschijnlijk langer dan tien minuten buiten.

2. Let ook goed op je apparatuur. Het voorjaar staat bekend om zijn drogere periode. Februari is gemiddeld zelfs de droogste maand van het jaar. Die drogere periode duurt nogal eens tot half juni waarna het weer in een klap omslaat en de zomermoessons beginnen. Het wil niet zeggen dat het in het voorjaar nooit regent. Bereid je dus voor! Een camera is wel bestand tegen spatwater zoals een beetje regen, maar je kan er niet mee onder de douche. Bescherm je spullen! Als het regent, bescherm je camera onder de jas of neem een camerahoes mee. Dat is een doorzichtige regenjas waarin je de camera kan inpakken. Die regenjas is transparant zodat je wel op het display kan kijken. Verder heeft het een opening om daar het objectief doorheen te steken. Ik vind zo’n hoes niet zo handig. Het is wel functioneel. En soms heb je hem nodig.

3. Neem ook altijd een extra batterij mee. In koud weer lopen batterijen sneller leeg, en niets is zo frustrerend om ineens een lege batterij in de camera te hebben. Stop een volle batterij in de broekzak of elders op het lichaam, zodat die warm blijft

4. Neem een macro-objectief mee, als je dat hebt. Wanneer het echt lente is geworden – zeg maar vanaf april – ontluikt het leven. Ontluikend leven begint klein: steeds meer kleine bloempjes duiken op, kleine beestjes gaan rondkruipen, en met een macro-objectief maak je dat leven zichtbaar. Je ziet echt meer met een macro.

 

5. Neem ook een polarisatiefilter mee. Een polarisatiefilter is net als een polaroid zonnebril,  het haalt schittering weg en maakt daarmee dingen zichtbaar die anders onzichtbaar bleven. En wat een polarisatiefilter doet lees je hier en hier. Een polarisatiefilter is overigens niet gebonden aan een bepaald seizoen. Alleen in de winter ligt hij bij mij in de kast: dan heb ik hem echt te weinig nodig om altijd mee te slepen.

6. Trek rustige kleding aan. Dat is geen grap. Geen rode broek, geen wapperende blouses en andere zaken die de aandacht trekken. Dieren zien je echt al van ver aankomen. Zo probeerde ik ooit vlinders in de vlinderstruik te fotograferen, terwijl ik een rode broek droeg. Doe maar niet. Ik zag de vlinder steeds in alarmstand gaan en wegvliegen en pas weer terugkomen nadat ik mij had terug getrokken. Dat gebeurde een paar keer en dat was een kleine strijd wie dit zou winnen. De vlinder won.

7. Ga  eens op tuinsafari als je een tuin met groen hebt! Je hoeft echt niet ver te gaan om iets te vinden. In de gewone achtertuin gebeurt van alles. Je ziet het niet meteen, maar het krioelt er echt van het kleine leven. Op de grond, onder de bladeren, aan takjes, bloesem. Deze hommel vloog net op toen ik afdrukte en ik kreeg hem echt per ongeluk op de foto. Bij de buren is het gras echt niet altijd groener. Achterdeur uit en je bent er. En de volgende keer wil ik die hommel echt beter op de foto…

8. Neem de tijd. Overval de omgeving niet met je aanwezigheid. Alle dieren zien je dan als een gevaar en houden zich schuil. Ga zitten en beweeg met mate. Als de omgeving eenmaal aan je gewend is, komen de dieren in beweging en dan zie je echt van alles om je heen gebeuren.

9. Zorg voor schaduw. Dat heeft niet zo zeer met de lente te maken, maar meer met de techniek. Een felle lentezon is natuurlijk fijn en warm, maar geeft wel messcherpe schaduwen en harde beelden. Dat wil je niet in de lente. Als je fotografeert, doe dat het liefst in de schaduw: het licht is dan zachter en meer diffuus, de schaduwen en de kleuren zijn zachter. Natuurlijk heb je schaduw niet op afroep beschikbaar en soms is de enige schaduw die van jezelf. Gebruik die dan. Ga met je rug naar de zon staan en probeer jouw schaduw over jouw onderwerp te laten vallen. De foto komt er veel beter uit.

Je hoeft je natuurlijk hier niet allemaal aan te houden. Als het mooi rustig weer is, grijp dan je camera en loop dan gewoon naar buiten. Dat is geen probleem. Maar als de wolkjes regen voorspellen en/of de media roezemoezen van iets “dat er aan komt”  bereid je dan iets beter voor om ongelukjes onderweg te voorkomen.

Happy shooting! 

Wilt u meer weten over fotografie? Volg dan eens een workshop!

Denk aan je camera met kou!

Ooit meegemaakt dat de ramen besloegen bij nat weer? Of dat de bril ineens matglas werd bij het betreden van een warme vochtige ruimte? Dat komt door het relatieve temperatuurverschil tussen warmte en kou, waardoor vocht condenseert op koudere oppervlakten. Dat kan dus ook met een koude camera gebeuren en heeft serieuze, misschien wel fatale consequenties. Vermijd een beslagen camera!

beslagen filter

Dat condenseren heeft te maken met het beginsel van Watt:

Dit beginsel houdt in dat indien een stof zich in zowel vloeibare als gasvormige toestand in een afgesloten ruimte bevindt, de druk in die ruimte wordt bepaald door de laagste temperatuur die in de ruimte heerst, en alle vloeistof uiteindelijk (via verdamping en condensatie) op de desbetreffende plaats zal worden geaccumuleerd. (bron)

Anders gezegd: vocht in de ruimte zal condenseren en zich verzamelen op die oppervlakte in de ruimte die het koudst is. Vandaar dat ramen beslaan, want die staan in contact met de kou buiten en zijn zelf ook koud. Vandaar dat brillen beslaan want die zijn vaak koud als je van buiten komt. Vandaar dat glazen met ijs- en ijskoude dranken beslaan: dat glas is een ijskoude vochtmagneet.

Datzelfde heb je dus ook met een camera. Als je buiten in de kou aan de slag bent geweest, is de camera ook door en door koud. Dat is buiten nog prima: het apparaat blijft over het algemeen wel werken, hoewel de batterij door de kou sneller kan leeglopen. Maar zo gauw je binnen komt, waar het warmer en vochtiger is, slaat het vocht neer op en misschien in de camera.

Water in de camera is de dood in de pot! Het serieuze gevaar bestaat dat elektronische componenten vochtig worden en kortsluiting veroorzaken. De batterij kan kortsluiting geven, net als het geheugenkaartje met al die contactpunten.

Dus tip, tip, TIP:
Voorkom ellende door vlak voor binnenkomst in een warmere ruimte de camera definitief uit te zetten. Verpak deze dan in een droge plastic zak om het vocht weg te houden, want anders zal vocht meteen bij binnenkomst neerslaan op de camera. Doe dan niets met de camera, leg hem weg, en laat de camera rustig een paar uur opwarmen voordat je de foto’s naar de computer overzet.

Op de foto hierboven zie je wat voor risico ik ooit nam, door vanuit de koude buitenlucht de tropische kas van de Hortus Botanicus binnen te stappen. Warm en vochtig. De camera bleef gewoon werken gelukkig, maar de meeste foto’s kon ik wegmieteren. Niets mee te doen.

Wilt u meer weten over fotografie? Volg dan eens een workshop!

Hoe voorkom ik onscherpe foto’s?

Iedereen die wel eens fotografeert, krijgt er mee te maken. Onscherpe foto’s! Mooie omgeving, blaadjes op de achtergrond superscherp, de mooie ogen van je onderwerp wazig. Bewegingsonscherpte van je onderwerp. Bewegingsonscherpte van de fotograaf. Super irritant. Dat wil je niet.

Wat jammer nou!

Hoe kan je dat nou voorkomen? Maak je geen zorgen: onscherpe foto’s zul je altijd houden. Bij elke shoot die ik doe vallen er ook altijd wel een stel foto’s af die bij nader inzien het toch niet halen. Dat is voor mij een gegeven. Je kan vooraf het risico op onscherpe foto’s wel verminderen met de volgende tips.

  1. Haal de camera van de groene stand af.
    Dat is de automatische stand. Erg handig, maar je geeft wel de controle af aan de camera. Je kan dan niets meer instellen. Je hoeft alleen nog maar het knopje in te drukken en de camera doet de rest. En de camera kan wel eens een andere beslissing nemen. Dus weg met de groene stand. Zet de camera op Tv of op Av, zodat je grip hebt op respectievelijk de sluitertijd of het diafragma. Geen idee wat ik bedoel? Lees hier de blog waarin de betekenis van Tv en Av wordt verklaard.
  2. Stel je camera goed in!
    In de Instellingen van de camera kan je regelen waarop de camera scherp stelt. Als je in de zoeker kijkt en je drukt de sluiterknop half in, zal de camera met autofocus scherpstellen, als dat natuurlijk aanwezig en ingeschakeld is. Die scherpstelling is in de zoeker te zien met oplichtende stipjes. Die stipjes geven aan waarop is scherpgesteld. Soms zijn het er heel veel (zelfs allemaal), soms is het er een. Ik heb mijn camera ingesteld op het middelste scherpstelpunt: daarop stelt de camera scherp in en niets anders. Na het half indrukken van de sluiterknop kadreer ik, en bepaal ik de compositie. Ik ben dat zo gewend. Ik heb ook geprobeerd mij iets anders aan te leren, maar ik kwam steeds terug op deze instelling. Het werkt voor mij.
  3. De juiste focus modus
    Elke camera heeft drie focusinstellingen. Single-shot focus, continu focus, en automatische focus. Controleer de instellingen met de handleiding van je camera. Single Shot focus is bedoeld voor stilstaande objecten, continu focus laat de camera bewegende objecten volgen en de automatische focus laat de camera oordelen wat het onderwerp is om op te focussen. Dat kan wel eens anders zijn dan je wilt. Zelf heb ik het niet op camera’s die eigenwijs alle kanten opvliegen, dus ik heb single-shot focus, stelt scherp op mijn onderwerp (zie punt 2) en druk af.
  4. Stel de zoeker scherp
    Zonder autofocus zelf scherpstellen is prima maar dan moet je wel goede ogen hebben! Bedenk dat de zoeker en sensor twee verschillende dingen zijn, en ook onafhankelijk van elkaar werken. De sensor kan misschien wel een scherp beeld zien, maar als de zoeker geen scherp beeld geeft (nooit een scherp beeld geeft), weet je dat niet.

    vage libel
    Een alsnog afgekeurde foto van een libel.

    Pas de zoeker dan aan. Naast de zoeker zit vaak een draaiwieltje. Daarmee kan je de zoeker scherp stellen. Als de zoeker geen scherp beeld geeft, kan je draaien aan je objectief wat je wilt en dan moet je maar afwachten wat er uitkomt. Daar heb ik mij ook wel eens in vergist.

  5. Neem een stabiele positie aan
    Zeker met een zwaardere camera (mijn Canon 5D mark 2 en Canon 6D met een 24-105 mm objectief kunnen elk 1,5 kilo zijn) moet je tillen. Ga daarvoor stabiel staan. Een been iets naar achteren geplaatst, met de voet iets dwars, en het andere been (het standbeen waar je op staat) als steun wat naar voren. Gebruik de hand van een arm om het objectief te richten en te stabiliseren; je legt het objectief als het ware in die hand. Met andere hand druk je de sluiterknop in. Belangrijk: Druk de ellebogen in de zij, zodat de armen en dus de camera minder bewegingsruimte hebben.
  6. Neem de tijd om een foto te maken
    Ja, ik weet het: soms is die tijd er gewoon niet en soms wil je meteen schieten zodat je meteen tenminste iets hebt. De Apollo XI astronauten in 1969 pakten ook als eerste maanbezoekers ooit eerst een steen van de maan zodat ze die tenminste al hadden mochten ze onverhoopt meteen weer moeten vertrekken. Maar fotografie is ook moeilijk 😉 Meteen schieten is vaak goedkoop en duurkoop: later blijkt dat er meer in de foto had gezeten als je iets meer tijd had genomen. Doe dat dan ook. Neem de tijd voor een foto: beoordeel een locatie, ga stevig staan, houd de camera goed en rustig vast en druk af. Sommige fotografen houden zelfs hun adem in bij het afdrukken, om onbewuste bewegingen te voorkomen.
  7. Te lange sluitertijd voor een paard dat op commando kon steigeren. 1/60 seconde, f/4, ISO 800

    Hou je sluitertijd niet te lang
    Een sluitertijd van 1/60 seconde is niet per se genoeg. Per situatie moet je de sluitertijd beoordelen. Een raceauto is iets anders dan een fietser. Maar let ook op de vuistregel: de sluitertijd is het best omgekeerd evenredig aan het brandpuntsafstand. Dus als je een brandpuntsafstand heb van 250 mm, kan je beter een sluitertijd van 1/250 seconde hebben, zodat ook verder gelegen objecten in de foto scherp blijven. Daar heb ik mijn neus ook wel eens aan gestoten. Zelf houd ik het liefst een standaard sluitertijd aan van 1/125 seconde. Ik heb ooit gedacht dat ik ook met 1/30 seconde kon schieten. Dat is niet zo. Veel materiaal uit vervlogen tijden heb ik weggemieterd, omdat ik er niets mee kon en ik de ruimte op de harde schijf beter kon gebruiken.

  8. Hou je diafragma niet te groot
    Met het diafragma kan je de lichtinval regelen. Een open diafragma laat het meeste licht door. Maar het diafragma heeft ook invloed op de scherptediepte, en dat is het gedeelte van de foto dat als scherp wordt ervaren. Een groot diafragma geeft een kleine scherptediepte, en soms is die te klein – de neus van je object is per ongeluk scherp en de ogen niet… Draai het objectief wat dichter, en met de Sunny 16 regel gaat het echt zelden mis.
  9. Gebruik een statief
    Ik ben geen liefhebber van een statief. Dat heb ik al eerder gezegd. Teveel gesleep en ze zien je al van ver aankomen. Dat heeft mij dit opgeleverd, en ik kan niet nalaten dit te memoreren. Maar soms is het nodig en kan je mooie plaatjes maken. Zet dan wel de bewegingscompensatie van de camera UIT. De Image Stabilizer van Canon werkt prima en de Vibration Reduction van Nikon ook, maar op een statief gaat de compensatie juist voor trilling zorgen en verpest dat de foto’s. Uitzetten dus.
  10. Poetsen!
    Als er wat viezigheid of vlekjes op het glaswerk van het objectief zit, kan de camera zich daarop richten. Die wordt dan een beetje scheel en wil gaan scherpstellen op die viezigheid. Poetsen en schoonhouden dus, maar in de fotografie lijkt mij dat sowieso al duidelijk.
  11. Gebruik een goede lens!
    Echt waar. De beste body kan niet compenseren voor een slechte lens. Slechte input is slechte output, je kan er weinig meer van maken. Ga achteraf niet klooien in Photoshop of een andere beeldbewerker om de foto scherper te krijgen! Dat lukt niet, want de scherpe informatie is niet aanwezig in de foto, dus kan die ook niet terug gehaald worden. Een onscherpe foto bewaar ik soms – bijvoorbeeld voor blogs al deze – maar verder is het weg ermee, omdat je er niets mee kan doen en er dan zinloos vele MB’s op de harde schijf worden ingenomen. Die ruimte kan je beter gebruiken.

 

Ik hoop dat de bovenstaande tips helpen om mooie en betere foto’s te maken. Wees niet boos of teleurgesteld als een foto onverhoopt onscherp wordt. Dat gebeurt nu eenmaal. Maak er nog een.

Let’s play… en neem de tijd daarvoor! 1/60 seconde, F/10, ISO 2000

En nu: Aan de slag! Lekker fijn schieten! Deze foto maakte ik met Linda de Jager, een bevriende mede-ondernemer uit Woerden. Zij wilde natuurlijk even poseren onder een kolossaal opschrift in het nieuwe Hoog Catharijne.
Zij poseerde, ik nam de tijd, stelde de camera goed in, en het geheel duurde slechts 30 seconden.

Wilt u meer weten over fotografie? Volg dan eens een workshop!

 

 

 

 

Wat is het histogram?

Wie wel eens meer dan een foto met aandacht maakt, is hem vaak al eens tegengekomen: het histogram. De meeste camera’s hebben wel een histogramweergave en de meeste mensen razen daar wel overheen, “want daar snap ik toch niks van”. Dat kan wel kloppen, want een histogram moet je wel leren lezen.

Wat is dat dan, een histogram? Een histogram is niet meer dan een grafische weergave van de belichting, meestal in de vorm van een heuvel, waarbij uiterst zwart helemaal links staat en uiterst wit helemaal rechts. De ‘ideale’ heuvel in het histogram is dus aflopend aan de linker- én rechterkant. Op de horizontale as staan dan de kleurtonen van diepzwart (links), oplopend naar helwit (rechts). Op de verticale as staat aangegeven hoeveel pixels met een kleurtoon kunnen voorkomen. Veel licht: heuvel staat meer naar rechts. Veel donker: heuvel staat meer naar links. Evenveel licht en donker: heuvel staat min of meer in het midden.
Het is een kolommendiagram die aangeeft welke licht in welke mate in een foto voorkomt. Het helpt de fotograaf de kwaliteit van de foto te beoordelen. Want op het gezicht kan een foto er mooi uitzien, maar je ziet niet goed of de lichte delen misschien overbelicht zijn en dus details overstralen, of dat details in de zwarte delen onderbelicht en onzichtbaar blijven.

Zolang de heuvel niet naar links of rechts uitloopt is er niets aan de hand. Als de heuvel echter naar links uitloopt is de foto te donker (onderbelicht) en vallen er details weg. Als de heuvel naar rechts uitloopt is de foto te licht (overbelicht) en vallen er daar details weg. Feitelijk verlies je dan data die je nooit meer terug kan halen. Zo simpel is dat. Het histogram is gewoon een emmer die ergens overloopt als ie te vol is, en dus moet je die niet te veel vullen.

Laat ik eens een foto als voorbeeld erbij halen. Dit is een nachtfoto van verlichte kunsttulpen. Veel zwart wegens de nacht en hier en daar wat licht. Oh ja, ik weet het, deze psd is in 8 bit, je hoeft het niet te melden. Hij komt nog uit de tijd dat ik Photoshop Elements gebruikte, maar ik ben wel tevreden over dit werk, dus ik laat het maar zo. Okee?

 

 

Het histogram ziet er dan zo uit. Als je op de afbeeldingen klikt, zullen die vergroten. Je ziet in de bovenste histogram (dat is het “totaal”) dat de informatie vooral aan de linkerkant staat. Dat klopt, want vanwege de nacht zit er heel veel zwart in de afbeelding. Tegelijk is er een kleiner piekje aan de rechterkant te zien, dat zijn de lichtere delen in de foto: er is een licht standbeeldje midden achteraan en sommige kunsttulpen zijn ook tamelijk wit. Verder is er kleur in de afbeelding, en die komen weer terug in de drie kleurhistogrammen daaronder. Zowel rood, groen en blauw, zijn nagenoeg identiek in hun weergave: in de foto zie je die kleuren ook evenveel terugkomen.

Een adagium is dat een histogram ideaal is als de belichting netjes tussen uiterst links en uiterst rechts positioneert. Dat kan je zien als een berg die tussen links en rechts opdoemt. Heb je dat, dan is een foto goed belicht. Maar het is geen vaststaande regel. In deze foto had ik nu eenmaal veel zwart wegens de nacht. Dan is het logisch dat de pieken helemaal links staan. Zou ik in Photoshop alles gaan oplichten, om het histogram “kloppend” te krijgen, dan is de nacht weg en de sfeer van de foto verpest. In de praktijk verruïneer je zelfs de foto als je het histogram leidend maakt.

Er zijn dus ook geen foute histogrammen!

Het gaat er dus vooral wat je in de foto wilde uitdrukken, en soit, als er veel zwart in zit, zit er veel zwart in en komt dat terug in het histogram. Staar je dus niet blind op het histogram, maar staar je blind op de foto. De foto is leidend en als je die goed vindt, nou dat is ie goed. Het histogram is er alleen voor om aan te geven dat ie vaak nog beter kan worden gemaakt.

En dan?

Het handige van een histogram is, dat je op basis van die grafiek al kan bepalen of er ‘iets’ met de foto te doen is. Heb je de belichtingscompensatie op 0 staan en de cameravoorkeuze op Av (A voor Nikon) of Tv (S = voor Nikon) zal de camera altijd naar de 18% grijsniveau zoeken (de mate waarin grijs in het beeld voorkomt) en de foto goed belichten. De heuvel zal dan ook ergens in de grafiek terugkomen.

Als voorbeeld een tweede foto, in een onbewerkte vorm en een bewerkte vorm. Ik zocht speciaal naar een foto met wat meer licht erin. Het zijn twee schermafbeeldingen om zo het histogram mee te krijgen. In de onbewerkte afbeelding zie je wat sneeuw liggen op een wat donkerder afgetekende balkonreling. Je moet het ook maar weten trouwens, want het is niet echt duidelijk. In het histogram zijn ook twee pieken te zien: links en dat zijn dan de donkere delen, en helemaal rechts en dat is dan het winterse wit. Verder zit er geen kraak of smaak aan. De schuiven staan in het midden; ik heb er nog niet aangezeten.

sneeuw in verder onbewerkt foto.

Blijkbaar vond ik op dat moment van schieten (11 februari 2017) dat de foto goed genoeg was om te bewaren. Hiernaast staat dus een onbewerkte versie, en hieronder een versie na een korte bewerking uit Raw. Je ziet nu beter wat het is: het contrast met de achtergrond is beter, maar ook: het histogram is anders. De onbewerkte versie heeft in het histogram twee  pieken, deze versie heeft nu rood, groen en blauw gesplitst.

sneeuw in een bewerkte foto

Dat kan wel kloppen, want de cameraversie is grijswit, maar ik wilde meer een kille sfeer aanbrengen en maakte de foto meer blauw van de kou. Ik trok de kleuren dus uit elkaar en dat is te zien in het histogram.

Je ziet ook dat de schuiven anders staan. Ga je met de schuiven spelen, dan zie je ook in real-time de foto veranderen en het histogram verschuiven.

En dat is het histogram. Een grafische weergave van de kenmerken van een foto, en waar deze mogelijk mankementen vertoont. Je kan heel makkelijk zonder een histogram werken, maar het is wel een heel makkelijke tool om te zien hoe de belichting is en waar deze verbeterd kan worden.

 

Na verdere bewerking..

Uiteindelijk ben ik wat verder gegaan met de bovenstaande sneeuwfoto en daar is dit uitgekomen. Had ik even zin in. Wél even een verschil met de oorspronkelijke cameraversie. En vergelijk dan ook even dit histogram met dat van de oorspronkelijke foto. In plaats van twee pieken aan de uiteinden, zijn het er nu vier geworden. Het rood zit verborgen in de balkonreling.

 

Uiteindelijk heb ik de foto bijgesneden om de horizon niet pal in het midden te laten vallen en bereikte ik deze versie die nu online staat (zonder de credit natuurlijk).

 

 

 

 

 

Wilt u meer weten over fotografie? Volg dan eens een workshop!

 

Spiegelreflex of smartphone?

Op woensdag 3 februari 2016 deed ik een demoworkshop van 20 minuten op de Open Coffee in Nieuwegein. Ik was daarvoor gevraagd en daar best gespannen over, want workshops.. ja die doe ik wel, maar ik stond nog nooit voor een grotere groep een verhaal te doen dat a) moest kietelen en b) coherent was. Per slot wil je uit een demo toch wel wat business halen. En een coherent verhaal over spiegelreflex fotografie maken is toch wel moeilijk, omdat niet iedereen op de Open Coffee een spiegelreflex camera heeft en je het toch begrijpelijk wil houden. Ze hebben wel een smartphone. Vooral een smartphone.

Maar okee. Demo workshop voorbereid. Ik ging het doen over scherptediepte. Dat is makkelijk, je hoeft er geen bijzondere investeringen voor te doen en dus leek mij dat wel aantrekkelijk. Powerpointje geschreven, wat tekst erin, wat voorbeelden van werk erin waar ik wel tevreden over was en waarin de scherptediepte goed zichtbaar was… wel even gerepeteerd zodat ik niet ging mummelen en hakkelen op het moment supreme. En klaar. Op 3 februari deed ik de demoworkhop en die ging voor mijn gevoel bijzonder goed.

Het kwam eruit als Gods woord uit een ouderling. Geen gehakkel. Geen gemummel. Het klonk allemaal strak. Tussendoor vroeg ik wel of het allemaal duidelijk was en blijkbaar was dat zo… ik kreeg geen opmerkingen. En zelf vond ik dat ik wat te snel sprak – dat is een kenmerk van mij. Vooral toen ik jong was praatte ik heel snel tot het onbegrijpelijke toe. Dat heb ik nu goed onder controle, en bij navraag bleek het allemaal goed te volgen. Mooi!

Totdat iemand mij vandaag aanklikt op Facebook en haar mening wilde geven. Dat is natuurlijk prima, van op- en aanmerkingen kan ik leren. En ze had niet zozeer opmerkingen over de workshop zelf, maar het was “vrij technisch…. Praten over instellingen is niet zo interessant, zelf doen is beter. Of in dit geval: laten doen. Bijna iedereen stond met een smartphone in zijn hand, daarop is scherpte-diepte ook realiseerbaar. Kun je je workshop in zo’n gezelschap niet beter daar op richten?”

Aha. De vraag. Zou het niet beter zijn om mijn workshop te focussen op smartphones in plaats van reflexcamera’s? Ik antwoordde naar waarheid dat de smartphone natuurlijk een leuk ding is, maar meer een gadget, meer geschikt voor internet en bellen, maar minder voor fotografie. Door de techniek van de smartphone (kleine lens, kleine sensor) haalt de kwaliteit het nog steeds niet met een “echte” camera, en dan bedoel ik een echte camera met een flinke sensor, hoge resolutie en veel instellingen. Een smartphone heeft minder mogelijkheden dan een camera en mijn doelstelling van de workshop was en is… zelf instellen en de camera naar je hand zetten. “Maak jij de foto of doet de camera dat?”

Die discussie ging zo even door. Toen weer “Bedenk dat voor jou als fotograaf andere dingen belangrijk zijn dan voor mensen die daar staan te luisteren. Veel mensen hebben niet zo’n camera, laat staan zo’n full-frame camera… maar andere camera’s dan smartphones zijn er niet op dat moment. Dus probeer je daar dan op te richten. ”

Opnieuw gaf ik aan dat ik dat niet wilde omdat de smartphone niet kan tippen aan een Canon 5D Mark 2, of de 6D of, de Nikon 800 of elke andere spiegelreflex- of systeemcamera. Het is een mooi tooltje voor een snelle fix, maar dat is mijn werk niet. Ik heb niet eens zo’n smartphone, dus wat kan ik daarover zeggen?

Toen weer “Laat ik dan zeggen …. dat het jammer is van alle energie die je hebt gestopt in het maken van die presentatie voor dat gezelschap, daar op die plek.” Jeetje. En “Als je niet met smartphone werkt, houdt het op natuurlijk. Ik denk dat je er JUIST tijdens die workshop iets interactiefs mee had kunnen doen.Je hoeft het allemaal niet te laten vallen en alleen maar met een smartphone te fotograferen. Je onderscheidt je juist door de dingen die je doet, en zoals je die doet. Ik wil alleen maar zeggen dat je voor de workshop zoals je die gisteren gaf, dan beter een ander publiek zoekt. Hier sprak het niet bijster aan wat je zei.”

Goh. Maar dat was niet mijn indruk en het werd ook niet gezegd toen ik ernaar vroeg.

Maar okee.. iedereen mag zijn mening hebben en dat respecteer ik. En mijn mening is dat ik niet van plan ben te downgraden naar een lager platform met minder mogelijkheden, omdat de grootste gemene deler zich bevindt op dat lagere platform. Ik respecteer het succes van de smartphone, maar je kan er gewoon minder mee, en mijn doelstelling is juist om mensen meer te laten doen met hun camera, niet minder.

Dus dat is de vraag. Moet ik mij beperken tot het ‘echte werk’ van de spiegelreflex- en systeemcamera? Of moet ik de smartphone omarmen alleen maar omdat de grootste gemene deler zo’n ding op zak heeft?

Ik dacht het niet. Mijn twee centen.

De Hortus Botanicus – Je camera en de tropen

Zaterdag 16 februari 2013 was ik naar de Hortus Botanicus in Amsterdam. Interessant, hoewel de Hortus Botanicus meer te bieden heeft in het groeiseizoen dan in de winter. Er was een rondleiding met de titel De Bomen Bloeien Al, maar bloeiende bomen, die zag ik nog niet. Wel veel kale boomtakken in afwachting van de komende lente. Het was ongeveer 2 graden. Dan ga je niet vrolijk staan bloeien.

De Hortus heeft echter ook kassen. In die kassen bevinden zich tropische planten die zich in het koude Nederlandse klimaat niet kunnen handhaven. En dit krijg je dus als je met een camera de koude Nederlandse winterlucht ineens vervangt door warme vochtige lucht uit de tropen. Buiten was het 2 graden, binnen 26 a 30 graden. De camera is koud en vocht uit de lucht slaat als een deken neer op het filter dat ik altijd op het objectief heb zitten. Gelukkig.

Binnen no time is het beeld weg. Poetsen? Vergeet het maar. Je poetst tegen de klippen op. Sterker nog, je ziet in de slipstream van de poetsdoek alweer nieuw condens verschijnen. Ik wilde ook niet het filter weghalen. Dat zou ook niets uitmaken, want dan zou het vocht rechtstreeks op het glas neerslaan en daar schoot ik dan ook niks mee op. Nu kon ik nog veilig maar vergeefs het filter schoonpoetsen.

Pas na ongeveer tien minuten was mijn camera zover opgewarmd dat condens niet meer neersloeg. Er bleef wel een waas zichtbaar en eigenlijk zijn de foto’s daardoor niet ideaal, maar ik kon er mee leven. De waas geeft zelfs een broeierig tropeneffect.

Moraal van het verhaal:
Als het buiten koud is, laat dan eerst de camera een tijdje opwarmen. Doe er niets mee, er slaat vaak condens neer dat het beeld verpest. In het ergste geval kan zelfs kortsluiting optreden.