Overdag flitsen is helemaal niet gek

Je ziet wel eens overdag fotografen rondstappen en als ze iets fotograferen gaan ze in de zon ook nog eens een keer flitsen. En dan hoor je sommige mensen in de omgeving meteen al monkelen dat het wel raar om nu te flitsen want het is al licht en die flitser is helemaal niet nodig, en

wat een rare man die fotograaf! Idioot! Wil zeker interessant doen!

Okee, ik chargeer misschien nu een beetje. 🙂

Nou, er is een heel simpele verklaring voor dat inflitsen. De camera is namelijk een dom ding. Oh, hij kan wel van alles en meer dingen die je niet verwacht, maar feitelijk is het apparaat een machientje met beperkingen.

Camera vs het menselijk oog

Zo moet de camera het gewoon afleggen tegen het menselijk oog. Waar ons oog met tegenlicht nog ongelooflijk veel nuances kan onderscheiden – het dynamisch bereik is ongelooflijk groot – , richt de camera zich eenvoudig op het helderste punt in beeld en past daar de belichting op aan. En dat betekent dat als je een onderwerp met veel licht in de achtergrond fotografeert…. het onderwerp in het ergste geval wel eens een silhouet kan worden. Die enorme puist licht moet minder, nou dan wordt de rest ook minder.

Voorbeeld

Als voorbeeld laat ik twee foto’s zien die ik laatst maakte bij de Voorveldse Polder in Utrecht. Het betreft een treurwilg in de lente die net uit de winterslaap was gekomen. Ik vond dat wel een mooi beeld, zo met dat water en hemel op de achtergrond. Beide foto’s zijn van het nagenoeg hetzelfde standpunt genomen. Beide foto’s heb ik voor deze blog onbewerkt opgeslagen. Ik heb er voor de verandering niet mee zitten prutten.

Schuif de slider om te vergelijken

(Je kan ook echt zien dat het twee aparte foto’s zijn. Ze vallen niet precies over elkaar. Het is dus niet zo dat ik dezelfde foto voor de gelegenheid heb aangepast. Ha! Als tekenmodel werd ik al geprezen dat ik altijd nagenoeg dezelfde stand wist in te nemen en vast te houden)

De eerste foto (links in de slider) is zonder flits genomen. Je ziet dat de boom donkerder wordt weergegeven door het licht dat van achteren binnenkomt. De camera ziet al een hoop licht en past de instellingen daarop aan. Het invallende licht wordt beperkt en de boom wordt daardoor donker. Okee, je ziet wel wat het is en je kan er misschien ook wel mee leven, maar toch… De tweede foto (rechts in de slider) is mét flits genomen. Ineens komt de boom meer naar voren en lijkt de foto meer in evenwicht. Op de donkere foto gaan je ogen waarschijnlijk meteen naar de hangende takken en het water, bij de tweede foto kijk je waarschijnlijk eerst naar de boom. Precies wat ik je wil laten doen.

Moraaltje van dit verhaaltje

En dat is de reden waarom fotografen vaak overdag flitsen. Dat is gewoon common sense: je wilt je onderwerp goed laten zien en als dat onderwerp niet genoeg uit de verf komt met het aanwezige licht, dan moet de flits uitkomst bieden.

Dus:
heb je fel tegenlicht en je wilt van je onderwerp meer laten zien dan alleen een donkere blob, pak dus een flitser.

TIP TIP TIP!
U wilt vast meer weten over fotografie! Volg dan eens een workshop!

De scherptediepte simpel verklaard

Al een tijdje zit ik in mijn maag hoe ik op een korte, duidelijke en begrijpelijke manier scherptediepte kan verklaren. Wikipedia heeft een nogal zakelijke benadering. Er staat daar ook een formule om de scherptediepte te berekenen, maar echt.. daar begin je toch niet aan? Dat is voor de incrowd en anders raus je daar snel doorheen – als je er überhaupt aan begint. Dus: de scherptediepte simpel verklaard, in Jip en Janneke taal.

Laat ik eerst nog eens terughalen wat scherptediepte precies is. Scherptediepte is het gedeelte van de foto dat door de kijker als scherp wordt ervaren. Het voordeel van scherptediepte is dat de fotograaf het onderwerp uit de achtergrond kan isoleren en zo de aandacht van de kijker kan sturen. Het is dé tool van de fotograaf. Ik heb er meer over geschreven, want ik vind scherptediepte en het gebruik ervan toch wel heel belangrijk. Lees meer over dit onderwerp hier en hier.

Waarom werkt scherptediepte zó en niet anders?

De volgende analogie bedacht ik tijdens de voorbereiding van een presentatie over scherptediepte, toen ik de Powerpoint wilde verrijken met een duidelijk voorbeeld. Nou, komt ie.

aarde en belichting van de zon

Je kan het principe van scherptediepte eigenlijk vergelijken met de aarde en zonlicht. Echt waar. In de tropen staat de zon hoog en straalt het licht recht op aarde. De schaduw valt ook recht onder je. Het gevolg is dat al die energie in dat licht – beng – terecht komt op een klein oppervlakte. Al die energie wordt niet of nauwelijks uitgespreid en kan nergens heen. Het is fel en vooral warm dan wel heet.

Bij ons op de gematigde breedtegraad heeft het licht meer moeite om te verwarmen. Door de hogere breedtegraad en de kromming van de aarde wordt dezelfde hoeveelheid lichtenergie per tijdseenheid uitgesmeerd over een groter oppervlak. De verdeling is groter. Het is daardoor doorgaans minder warm en de zon doorgaans minder fel. In de zomer is onze breedtegraad wel meer naar de zon gericht en is het warmer. In de winter is dat net omgekeerd en is het kouder.

Het is dus de verdeling van het licht over een oppervlak!

Een diafragma werkt in principe hetzelfde. Licht valt door het objectief naar binnen en dat gebeurt in verschillende hoeken. Dat zien we niet, want licht is licht, maar licht komt in werkelijkheid vanuit alle hoeken naar binnen. Als een diafragma open staat (laag F-getal) zullen lichtstralen die vanuit een bepaalde hoek naar binnen komen, de sensor ook vanuit die hoek raken. Die lichtstraal smeert zich uit over een groter oppervlak. Het beeld wordt dus ook meer uitgesmeerd en onscherper. De scherptediepte is kleiner.

Scherptediepte: Objectief met hoeken van lichtinval

Draai je het diafragma dicht (hoog F-getal) zal het licht nog steeds vanuit verschillende hoeken naar binnen willen… en botst dan vooral tegen de lamellen van het diafragma. Dat licht komt niet verder. Anders gezegd: alleen licht dat recht van voren het objectief raakt, slaagt er in zich door het piepkleine gaatje van het diafragma te wurmen en landt kaarsrecht op de sensor. Er is nauwelijks spreiding op de sensor en het beeld is over het geheel genomen scherper. De scherptediepte is groter. Uiteraard betekent dit dat hoe opener het diafragma is, hoe kleiner de scherptediepte wordt.

En dat is eigenlijk het idee van scherptediepte. Je bepaalt de hoek waarin licht de sensor mag raken. Je bepaalt de hoek waarin het licht zich mag uitsmeren over de sensor. Je bepaalt de mate van onscherpte.

En dat heet scherptediepte, en daarmee -mits goed toegepast- til je je foto’s naar een hoger niveau.

TIP TIP TIP!
U wilt vast meer weten over fotografie! Volg dan eens een workshop!

Het verschil tussen hard en zacht licht

De foto waar ik uiteindelijk wel tevreden mee was. Klik voor groot!

In Hoe zit dat met harde schaduwen schreef ik al over het effect wat licht op een foto kan hebben. Even samenvatten voor wie de link niet volgt: een direct licht levert messcherpe schaduwen op en dat wordt hard licht genoemd. Een diffuus verspreid licht levert zachte tot geen schaduwen op. En daarom willen fotografen liever geen directe zon bij het schieten. De foto’s worden knalhard en eigenlijk onbruikbaar.

Ik werd vorig jaar keihard met mijn neus op deze feiten gedrukt. Op 2 mei 2018 was ik aan de wandel op het Domplein en stond voor de entree van het Academiegebouw. Dat is dat gebouw met Sol Iustitiae (welja, even een link naar mijn andere site erbij) voor de deur. Het was echt mooi weer! De zon scheen, windstil, tamelijk warm en ik schoot er gewoon op los.

Zon

Ik maakte de foto van de entree en tijdens het schieten vroeg ik mij al af of ik hier wel iets mee kon doen. Ik zag meteen al dat er door de felle zon wel héél harde schaduwen te zien waren. Zonlicht kwam van rechts… en alles in beeld wierp een harde schaduw naar links. En Sol liet ook al zo’n vieze lichtplek zien.

Dat moest dus over. Op een andere dag. Met ander weer. Geen zon. En zacht licht. Op 7 januari 2019 was ik er weer.

Vergelijk beide foto’s eens en besef het verschil tussen hard en zacht licht. Links is de foto van 2 mei 2018 in de felle zon, rechts is die van 7 januari 2019. Ze zijn niet helemaal gelijk: blijkbaar zat ik op mijn hurken in mei 2018 en stond ik in januari. Het perspectief is dus wat anders helaas. Maar de strekking is wel duidelijk.


En dát is dus het verschil tussen hard en zacht licht. Het is het verschil tussen meestal onbruikbaar en bruikbaar. Direct zonlicht: beter niet doen.

TIP TIP TIP!
U wilt vast meer weten over fotografie! Volg dan eens een workshop!

Verleg je horizon!

Als je foto’s maakt zit daar vaak een duidelijke horizon in. En maar al te vaak is die horizon niet horizontaal. Moraal: zet dus je horizon recht! Kijk maar eens naar onderstaande foto’s.


Ze hellen allemaal naar rechts. De horizon is niet horizontaal.

En dat moet wel, per slot is het een horizon. 😉 Deze foto’s komen zo rechtstreeks uit de camera. Ik heb ze wel een beetje bewerkt voor de blog, maar de tilt heb ik voor deze keer bewust in stand gehouden. Zo kwamen ze uit de camera. En het valt echt op.

Wat is een horizon?

Een horizon is die lijn in de verte waar hemel en aarde (of zee) elkaar naderen en raken. Dat is natuurlijk een simplistische uitleg, en dat weet ik, maar hier staat een echte uitleg. In elk geval: de horizon is in de meeste gevallen een visuele horizontale lijn en hoort ook zo op de foto terecht te komen.

En misschien valt het niet meteen op als die lijn naar een kant afloopt, maar als je er op gaat letten… wordt het een basiszaak. Hoe ligt de horizon? Zeker als de horizon in zee scheef ligt…. tja, je verwacht eigenlijk dat het water dan naar die kant wegstroomt. Het lijkt wel zo en het ziet er gewoon niet uit. Fotografen wijzen elkaar ook graag op zulke omissies.
What is seen, cannot be unseen.

Even een zijsprong: als je lekker uit de hand schiet, ga er maar gewoon van uit dat de foto per definitie scheef is. Niet alleen omdat je uit de hand schiet, maar ook omdat ik merk dat het beeld in de zoeker niet noodzakelijkerwijs hetzelfde is als dat op de foto. Al te vaak denk ik dat de foto in de zoeker mooi horizontaal is en thuis op het grote scherm blijkt de foto toch flink wat graden uit het lood te zijn. Ik heb mij daarbij neergelegd. Ik probeer zoveel mogelijk in-camera al goed te krijgen, maar vaak moet ik thuis nog even rechtzetten.

Dus zet recht die foto!

Natuurlijk moet de horizon wel in context zijn. Als je op een heuvelpad fotografeert is de horizon van nature vaak niet horizontaal. Ga je die toch rechtzetten, staan eventuele bomen, palen, huizen die zich in beeld bevinden op hun beurt weer uit het lood. Dus wel even het koppie erbij houden en rechtzetten in context.

Is een scheve foto dan meteen verloren?

Nee, natuurlijk niet. Je kan een foto herstellen en redden. Waarom denk je dat ik deze blog schrijf? 😉
Als voorbeeld neem ik een foto die ik maakte op 5 augustus 2018, tijdens een boottripje in Eilandspolder en Schermerhorn. De foto heeft kraak noch smaak, vind ik, en dus alleen goed voor een blogje 🙂 Ik laat daar een klein bewerkinkje op los, zodat je ziet dat je van een scheve zozo-foto ook nog iets kan maken.

  1. De eerste foto is helemaal kaal. Niets mee gedaan, de kleuren zijn vaal, en de horizon hangt scheef. Het is een kiekje.
  2. Daarna trok ik de foto door de Raw-converter voor de eerste bewerking. De kleuren zien er al wat beter uit. Ik importeer de foto in Photoshop en zet als eerste de horizon recht. Ik kies daarvoor het bijsnij-icoontje dat uiterst links als vijfde van boven staat en vervolgens de optie Rechttrekken. Je verliest wel wat pixels, omdat er een uitsnede wordt gemaakt!
  3. Hier de foto nadat de horizon is rechtgezet.
  4. Tenslotte voer ik nog wat verdere bewerkingen uit om de foto een beetje bij te kleuren en op te leuken.

Vergelijk nu de eerste foto met de laatste. Al was het alleen maar om op te merken dat het water niet schijnbaar naar rechts wegloopt. Gered!

TIP TIP TIP!
U wilt vast meer weten over fotografie! Volg dan eens een workshop!

Het verschil tussen MP en MB

Compositie in blauw en geel. Klik voor groot.

Werk aan de Muur is een online winkel waar beeldmakers hun kunsten in hun eigen shop kunnen etaleren. Onlangs heeft Werk aan de Muur echter de limieten wat verhoogd. Voor uploaden moeten werken voortaan 16 MP groot zijn. Te kleine resoluties verminderen de kwaliteit van het werk te zeer en dus moeten werken voortaan aan deze minimumeis voldoen. In het forum was wat consternatie over deze aanscherping van de limieten. Sommigen konden geen werken meer uploaden. En er bleek ook wat onduidelijkheid over MP en MB. Wat betekenen die? En wat betekent dat voor mijn camera?

Inmiddels heeft Werk aan de Muur de minimale vereisten weer wat verlaagd naar 12 MP om niet te veel beeldmakers uit te sluiten. Het is zoeken naar een middenweg natuurlijk. Enerzijds wil je wel kwaliteit waarborgen en is een minimale resolutie gewenst. Anderzijds heeft niet elke beeldmaker een super duper dure camera tot de beschikking. Het moet wel leuk blijven natuurlijk! Daarom is de minimale vereiste van 16 MP voor onbepaalde tijd toch teruggebracht naar 12 MP.

Even wat uitleg dus. Begrijp mij niet verkeerd. Ik houd van Werk aan de Muur. Ze zijn goed bezig, transparant en mijn draaiende antennes zijn altijd stil bij hen. Op dit moment heb ik 300+ werken daar staan waarvan ik elk kwartaal wel een paar verkoop.


MP versus MB

MP

MP staat voor MegaPixel, en wel het aantal pixels op de sensor. MB staat voor MegaByte, en staat voor de grootte van een bestand. Onthoud dat onderscheid. Ik heb in deze alinea even wat hoofdletters gebruikt. Normaal worden de begrippen met kleine letters geschreven.

Om het aantal megapixels van je camera te berekenen volstaat een eenvoudige som: het aantal pixels in de breedte van de sensor maal het aantal pixels in de hoogte. B x H. Dat is alles.

Voorbeeld:
Ik heb een oude Nikon D3100 liggen. Oud beestje uit 2011, maar verder helemaal okee. Die Nikon heeft een resolutie van 4068 (b) x 3072 (h) pixels, dus 12,4 MP (12.496.896 pixels). Met die resolutie kan ik eigenlijk geen beelden meer uploaden naar Werk aan de Muur, omdat dat nu een limiet heeft van 16 MP.
Mijn Canon 5D Mark 2 daarentegen, oorspronkelijk uit 2005 nog wel (fijne camera!!) heeft een resolutie van 5616 x 3744 pixels, dus 21 MP (21.026.304 pixels). Met dat stokoude beestje kan ik wél uploaden, en ik verwacht dat dat voorlopig ook nog wel zo blijft. Mijn Canon 6D is iets kleiner met 5472 x 3648, dus 19,9 MP (19.961.856 pixels), dus die is ook in de clear.

MB

De MB staat voor de grootte van het bestand en die grootte is afhankelijk van hoeveel informatie in het bestand zit. Meer te zien = meer informatie = groter bestand. Als voorbeeld toon ik twee foto’s die ik beide weliswaar verkleind heb naar 1200 x 800 pixels (het is het internet, dus je hebt te maken met laadtijd), een met weinig informatie en een met veel informatie.

Beide foto’s zijn 1200 x 800 pixels, dus beide zijn 0,96 MP (960.000 pixels). De maanfoto is grotendeels zwart en is slechts 23 KB(!) groot, de andere foto heeft veel te zien, bevat veel beeldinformatie en is 668 KB groot.

En dát is het verschil tussen MP en MB. Aantal megapixels versus bestandsgrootte. Twee dingen. De allereerste foto hierboven – Compositie in blauw en geel – (ik plaats die even om deze blog wat visuele body te geven in de tweets) is slechts 200 x 300 = 60.000 pixels in omvang en 10(!) KB groot. Klein plaatje, zit weinig informatie in, ziet er toch goed uit, maar je kan er verder niets mee. Leuk om te bekijken.

TIP TIP TIP!
U wilt vast meer weten over fotografie! Volg dan eens een workshop!

Foto’s met context

Een parasol die tegen de felle zon beschermt. Fotomoment dus. Klik voor groot!

Een van de dingen die ik het moeilijkst vind, is foto’s maken met context. Ik ben overtuigd dat alles, ja echt alles zinvol is te fotograferen mits je er een verhaal van kan maken. En dat alles in een beeld vervat. En het plaatsen van context doe je met beeldelementen. Ik schreef al eerder over beeldelementen hier en hier. Zij helpen de kijker de foto te interpreteren.

In het ideale geval weet je met een blik meteen waar de foto genomen is, wat de situatie was en in welke context de getoonde handeling geplaatst moet worden. Je hoeft niet na te denken van ” ummm… wat wat dat ook al weer?” Die informatie hoort in dat ene beeld vervat te zijn. En ja, dat vind ik soms wel moeilijk.

Kiekje erbij?

Ik doe daar niet moeilijk over om dat te erkennen. Je moet niet alleen kijken, maar je moet het verhaal ook zien. Een blik op mijn harde schijf laat je veel, heel veel foto’s zien die context missen en je dus niet alles vertellen. Kiekjes dus. Nu vind ik kiekjes niet erg – ze horen erbij. Zeker in een serie waar minstens een verhalende en helpende foto zit blijven ze wel eens een tijdje hangen. Verder kan je kan er vaak niet veel mee en ze nemen ruimte in.

De foto hierboven is er een waar wel een verhaal in zit. Kijk er eens naar (hier in het groot) en vraag je af wat je nu echt ziet.

Het is duidelijk een doek met een herkenbare standaard. Dat moet wel een parasol zijn. Een paraplu is het niet, want die is ondoorzichtig en hier komt een puist licht doorheen. Dat licht moet dan de zon zijn. Er is dus een felle krachtige zon. Dat moet zomer zijn. De stang staat ook nog gebogen dus de zon staat al lager aan de hemel, dus het is waarschijnlijk al in de vroege avond. Verhaal: het is zomer en warm en een kleurige parasol werpt een schaduw, en beschermt tegen de felle warmte.
Je hebt hem. Een beeld van een warme zomeravond.

Het klopt ook wel. Ik maakte deze foto op 1 juli 2018 om 20.11 uur. Het avondeten was al door het kanaaltje, borden stonden nog op tafel, we zaten uit te buiken en mijn oog viel op de parasol die mij beschermde tegen het felle licht. Die parasol had ik uitgeklapt, omdat ik anders door het tegenlicht mijn vriendin niet goed kon zien. Ik zag het verhaal, greep mijn camera die naast mij lag (jawel! houd de camera altijd in de buurt!) en maakte deze foto. Ik maakte er overigens meer, maar koos deze uit.

Je moet dus a. kijken en b. zien. Liefst altijd, want situaties komen doorgaans maar een keer voorbij.

Niet werkende voorbeelden

Hier is een foto die voor mijn gevoel niets of weinig vertelt. Zelf weet ik de context wel, en ten tijde van de foto vond ik de opname heel gerechtvaardigd, maar als ik er nu naar kijk met wat meer afstand, is mijn eerste gedachte “Juist ja…”. Als ik dat denk, zal een ander die de context niet kent dat zeker denken!

In casu: er drijft een woning half in het water. Op het dak staan spullen gestald. Een persoon op het dak, een ander komt vanuit de zolder door het raam. Lijkt op een overstroming. En dan? Ik mis de context in het beeld. Waar gaat dit over?

In werkelijkheid was dit de voorstelling Mare van theatergroep Vis-a-Vis  uit Almere. Deze voorstelling uit 2017 gaat over klimaatverandering en overstroming door overvloedige regenval. Voor deze voorstelling was er een compleet bassin aangelegd en de voorstelling handelde dus ook in en op het water. Het blauwgrijze schot op de achtergrond schermde voorbereidende handelingen van de groep tijdens de voorstelling af voor het publiek. Links en rechts van dat schot kwamen dan humoristische “noodsituaties” in beeld drijven, zoals een nieuwslezer die de volgende ramp beschreef.

Maar zegt het iets in de foto? Nope. En dus bleven de foto’s slingeren op de harde schijf. Meer voor mijzelf, omdat ik de voorstelling gezien had en de foto’s zelf de context kan plaatsen. Of gebruiken in een blogje over beeldelementen.

Overigens zijn de foto’s niet in het geniep genomen. Vis-a-Vis stimuleert en promoot het gebruik van eigen fotomateriaal. “Neem zo veel en zo vaak mogelijk foto’s! Dat vinden wij helemaal niet erg!”, zeggen ze altijd bij het begin van een voorstelling (ik heb er meer gezien).  Dus doe ik dat maar 🙂

Conclusie

Maar de bottom line is: Als je foto’s maakt, probeer er dan met beeldelementen een verhaal in te stoppen. Dat is niet makkelijk, en soms verkijk je je erop. Maar als het lukt, heb je een verhaal in een beeld waar meer in zit dan alleen maar een plaatje.

TIP TIP TIP!
U wilt vast meer weten over fotografie! Volg dan eens een workshop!

Loving the Alien!

In Tussenringen en wat kan je ermee schreef ik over mijn nieuwe set tussenringen waar ik veel mee van plan was. Lees die blog even als je dat nog niet gedaan hebt. Ik wacht wel even. Dan kijk ik tussendoor nog even naar deze alien die ik met mijn nieuwe tussenringen mocht fotograferen!

Een libel in de tuin. Het lijkt wel een alien. Klik voor groot! 1/200s / f5,0 / ISO 500.

Vorige week werd de tuin nogal bezocht door libellen en net als in 2015 ging ik op jacht. Met macro-objectief en alle tussenringen erbij, dus met een vergroting van 1,75x. Ik wilde ze toch wel hebben in mijn collectie en wilde ze dit keer niet laten ontsnappen. Ik zag dat deze libellen, ik denk dat het er twee of drie waren, nogal eens over de tuin heen vlogen en tussendoor op vaste en voorspelbare plaatsen in de zon neerstreken. Dat kan kloppen: volgens wikipedia hebben libellen behoefte aan warmte. Ze strijken dus neer op warme oppervlakten in de zon, drukken hun lichaam omlaag en spreiden hun vleugels om niet in hun eigen schaduw te zitten.

Daar kwam uiteindelijk deze foto uit. Deze libel streek zo vaak neer op een warm blad in de heg dat het geen toeval meer kon zijn. Ik besloot het er op te wagen en naderbij te sluipen. Langs de heg, heel langzaam steeds dichterbij. De libel moet mij wel gezien hebben. Ik zag het oog aan deze kant draaien en mij in de gaten houden. Soms keek hij heel even de andere kant op, dan weer snel naar mij. Maar hij ging niet weg. Camera richten, handmatig scherpstellen en klik. Ik kon zelfs een aantal foto achter elkaar maken, voordat ik besloot dat het genoeg was.

Libellen! Mooie dieren zijn dat. Sierlijk. Gracieus. Elegant. Maar van dichtbij komen ze van een andere planeet. Dan hebben ze hun uiterlijk niet mee.

Maar wat vind ik nu van tussenringen?

Ja geweldig! Handzaam en klein. Niet kwetsbaar, makkelijk in te klikken en toe te passen. Ik heb meer vergroting! Een foto als deze had ik een paar jaar geleden niet kunnen maken. Maarrrrr…. je loopt ook heel snel tegen de effecten van de belichtingsdriehoek aan. Doordat je dichter op het onderwerp kan kruipen wordt de scherptediepte heel snel heel erg klein. Scherptediepte wordt namelijk bepaald door vier variabelen: diafragma, brandpuntsafstand, afstand tot het onderwerp, en de grootte van de sensor. Ik zat al dicht op het onderwerp en dus werd de scherptediepte al snel te klein: hier verlopen de zijdelingse vleugels uit het scherpte gebied. En als je naar het oog kijkt, kun je de facetten boven wel onderscheiden, iets naar beneden verdwijnen ze, overigens niet storend, uit beeld.

De scherptediepte moet je dus vergroten door het diafragma meer te sluiten. Dat betekent dat het lichtverlies op de sensor moet worden gecompenseerd door een langere sluitertijd (let op bewegingsonscherpte) of een hogere ISO (let op ruis). Dat is de belichtingsdriehoek ja. Binnen die driehoek zit ergens een leuke foto.

Kan je iets met tussenringen?

Ja zeker, anders bestonden ze niet. 😉  Maar je hebt echt wel meer licht nodig als je tussenringen gebruikt. Dat betekent buiten in de zomer, of binnen in de studio. Met “gewoon” licht loop je snel tegen grenzen op. En wat vind ik van de foto? Ondanks dat ik te dealen had met een geringe scherptediepte, vind ik deze foto echt niet onaardig.

TIP TIP TIP!
U wilt vast meer weten over fotografie! Volg dan eens een workshop!

Hoe zit dat met scherpe schaduwen?

Ik loop vaak rond met een camera. Eigenlijk altijd. Voor de grap zeg ik wel eens dat er maar twee momenten zijn dat ik geen camera bij mij heb, en die zijn als ik slaap of onder de douche sta. En verder klopt het wel. Mensen zien mij dus nogal eens buiten met een camera rondstappen en soms zeggen ze het befaamde “Nou, het is mooi zonnig weer om mooie foto’s te maken!” En dan bijt ik op mijn lippen om niet te bijdehand te zijn. Eigenlijk wil ik helemaal geen zon als ik buiten fotografeer. Eigenlijk wil ik “gewoon” wolken. Felle zon levert scherpe schaduwen op. Dan kun je helemaal geen mooie foto’s maken. En eigenlijk wil ik dat gewoon zeggen. Maar dat laat ik maar zitten haha 🙂

Hard licht

Scherpe schaduwen krijg je namelijk als er een enorme puist licht onbelemmerd en van een richting op het onderwerp valt. En aangezien licht zich in een rechte lijn voortplant krijg je in zo’n situatie dus een onderwerp dat aan een kant fel verlicht is, de andere kant helemaal donker is, met daar tussenin een vlijmscherpe schaduwrand. Dat wil je doorgaans niet, tenzij je natuurlijk zo’n baanbrekende albumhoes als die van With The Beatles wil maken 🙂

Probeer het zelf maar eens. Pak eens een lamp of een led-zaklantaarn (die bundelt en straalt zo lekker) en richt die op een plat oppervlak. Hou je hand dan vlak voor het oppervlak en je krijgt dan een schaduw met messcherpe randen. Beweeg je hand van het oppervlak weg en de schaduwranden wordt vager (diffuser) door de verstrooiing van het licht.

Dat gebeurt dus ook met de zon. Hoewel de zon ENORM is (de diameter is 109 maal die van de Aarde en er passen een miljoen Aardes in) staat hij vanwege de afstand van 150 miljoen kilometer toch tamelijk klein aan de hemel. En een kleine lichtbron (dus ook de felle zon op afstand) geeft harde schaduwen en scherpe randen.

Hard vs zacht licht

Mooi gezegd, dus ik plaats wat voorbeelden. Geen mensenportretten, want felle zon van boven werpt vaak een schaduw net onder de ogen zodat dan het lijkt als de persoon wallen ter grootte van de Afsluitdijk hebben. Bovendien gaan mensen in fel zonlicht vaak knijpen met de ogen en dat ziet er ook niet florissant uit. Dat wil ik ze niet aandoen. Dus ik pak wat bloemenfoto’s die ik zowel in felle zon had gefotografeerd en een dag later met bewolking. Bovendien: bloemen hebben geen idee van de AVG en zullen ook niet protesteren als hun beeltenis gebruikt wordt.

Dit zijn twee foto’s van blauwe druifjes. Op twee dagen gefotografeerd waarbij de eerste dag de zon fel scheen en het op de tweede dag bewolkt was. Vergelijk eens. Welke foto vind je mooier?

Ik hoop dat je de tweede kiest. De eerste foto is knalhard, harde kleuren, harde schaduwen, helemaal niet lievig en zacht zoals op de tweede foto. Maar het is wel dezelfde bloem. Dezelfde zon. En op de tweede foto met een wolkendek die de zon afschermt.

En dat is de reden waarom ik voor buitenfotografie het liefst bewolking heb.  Die wolkenlaag verstrooit het licht en zorgt voor meer egale belichting, weinig of geen schaduwen en meer zachte pastelkleuren. Het komt dan allemaal mooier op de foto.

TIP TIP TIP!
U wilt vast meer weten over fotografie! Volg dan eens een workshop!

Bijsnijden van een foto

Soms moet ik wel eens foto’s bijsnijden. Nee, dat is niet waar. Ik snijd regelmatig bij, om afleidende zaken in een foto met harde hand weg te krijgen, als ik die niet in Photoshop kan wegmoffelen. Ik streef er namelijk naar elke foto “in-camera” al helemaal goed te hebben, maar soms vind ik de compositie achteraf toch niet zo goed, of vind ik dat een element in beeld bij nader inzien afleidt en beter weg kan zijn. Dan zet ik het mes in de foto, en huppetee, weg is het probleem. Maar ik snij wel met mate.

Dat snijden kun je niet onbeperkt doen. Je bent wel bezig in een digitale foto met meestal flink wat pixels, maar uiteindelijk ga je het zien. Wat je precies doet is namelijk pixels wegsnijden. Ga je daarna de foto weer opblazen naar bijvoorbeeld het oorspronkelijke formaat, dan vergroot je de pixels. Snijd je veel pixels weg, dan zal je de foto misschien meer moet vergroten en dan zie je de aanwezigheid van pixels zichtbaar opduiken. En binnen Photoshop kun je ook andere processen aanroepen om te vergroten, zie schermafbeelding, maar die processen maken je foto ook niet vrolijker. Ik zie dan juist meer kriebels, flubbers en kleurspikkels opduiken.

Dan krijg je dit

Als voorbeeld neem ik een foto van de maan die ik in april 2018 maakte. De setup was gewoon in de huiskamer: statief met daarop een Canon 5D Mark 2 en een 24-105 mm F/4 objectief. Mijn oude vertrouwde Canon 5D Mark 2 (jaaaa, het is een ouwetje, maar hij was goed toen en is goed nu. Lees deze blog dan!) Heeft een resolutie van 5616 x 3744 pixels, dus zeg 21,1 Megapixel (5616 x 3744 = 21026304). Lekker hoog dus, daar kan je in normaal gebruik wel mee vooruit, zolang het maar niet te klein is en er veel beeld om het object heen zit.

Eerst maar de oorspronkelijke foto, met wat lichte bewerking. De maan aan een onbewolkte zwarte hemel. Maar hij is wel heel klein. Er zijn geen afleidende zaken in beeld, maar toch, dit is te klein. Dat kan niet.

 

Nabewerking

Ik ga de foto bewerken. Ik snijd wat zwart weg en vergroot de foto naar de oorspronkelijke maten. Ik doe een beetje witbalans en pep de kleur wat op. Iets scherper gezet. Verder niets. Dit komt eruit. Ik vind het wel een grappig beeld, dat zich boven verwachting ontwikkelt. Om criticasters voor te zijn: deze foto is niets vergeleken met de prachtfoto’s die ik wel eens zie met close-ups, grote kraters, bergkammen, en -ruggen, schaduwpartijen. Dit is alleen maar een rond bolletje dat voor de helft verlicht is. Precies op de terminator (de scheidslijn tussen licht en schaduw) zijn meer details zichtbaar. Ik ben tevreden met dit resultaat, omdat ik op het punt stond naar bed te gaan en toen de felle maan zag. Aangezien je die niet zomaar kan bestellen werd het slapen even uitgesteld, statief gepakt, camera er op, uitrichten en schieten maar. Ik zat lekker impromptu te schieten achter het raam. Maar verder is dit plaatje alleen geschikt als decoratie bij een artikel of een blog zoals deze. De foto blijft verder hangen op de harde schijf.

Snijden en opblazen

Voor de strekking van deze blog besluit ik deze foto verder op te blazen naar onredelijke proporties.

Ik snijd daarvoor het merendeel van de foto weg. Kijk eens naar de oorspronkelijke foto, en vergelijk eens met deze. Deze uitsnede blies ik weer op naar 5616 x 3744 pixels en exporteerde dat weer naar 1200 x 800 pixels voor de upload. Daar kwam deze uitsnede uit.
Je ziet nu dat details wel zichtbaar zijn, maar lang niet zo scherp als je zou willen, ongewenste artefacten worden zichtbaar. Dat komt omdat de pixels opgeblazen zijn. Scherpte verdwijnt, details verdwijnen en er komen hier en daar rare streepjes en randjes in beeld.

De messcherpe maanfoto’s die je wel eens ziet, zijn ook helemaal niet genomen met een objectief op 105 mm, maar met een objectief met een bereik van minstens 600 mm.

Moraal:

De moraal van het van het verhaal is dus:
schiet zoveel mogelijk “in-camera”, zodat de ruwe foto al grotendeels compleet is. Als je dan toch wilt/moet bijsnijden om de foto te verbeteren, snij dan niet te veel weg, tenzij je er van af ziet om de foto weer daarna te vergroten. Een foto is wel digitaal, maar je kan er niet alles mee doen.

TIP TIP TIP!
U wilt vast meer weten over fotografie! Volg dan eens een workshop!

Haaa, die lente!

“Als de lente kommmmtttt, dan stuur ik…”

mijzelf het liefst naar buiten!

Jawel! Het is eindelijk lente! Deze blog lag al even klaar in februari 2018, maar toen kwam ineens die flap winterse/polaire/arctische/Siberische (doorhalen wat niet van toepassing is) vrieskou over ons heen. Alle ontluikende natuur stond in een keer stil, bloemen trokken zich als het ware terug in de grond, vorst, sneeuw, ijs… dus ja, dan ga je niet opgewekt kakelen over een lente die niet in velden of wegen te bekennen is. De lente hort en stoot nu, maar die is echt onderweg en hier zijn wat tips om straks lekker buiten bezig te zijn met je camera.

1. Kleed je goed aan! De lente mag zich wel aandienen, maar dat wil niet zeggen dat het meteen warm en behaaglijk is. Zeker eind februari en maart wordt het vaak nog behoorlijk koud en kan het ook nog wel sneeuwen. En je bent waarschijnlijk langer dan tien minuten buiten.

2. Let ook goed op je apparatuur. Het voorjaar staat bekend om zijn drogere periode. Februari is gemiddeld zelfs de droogste maand van het jaar. Die drogere periode duurt nogal eens tot half juni waarna het weer in een klap omslaat en de zomermoessons beginnen. Het wil niet zeggen dat het in het voorjaar nooit regent. Bereid je dus voor! Een camera is wel bestand tegen spatwater zoals een beetje regen, maar je kan er niet mee onder de douche. Bescherm je spullen! Als het regent, bescherm je camera onder de jas of neem een camerahoes mee. Dat is een doorzichtige regenjas waarin je de camera kan inpakken. Die regenjas is transparant zodat je wel op het display kan kijken. Verder heeft het een opening om daar het objectief doorheen te steken. Ik vind zo’n hoes niet zo handig. Het is wel functioneel. En soms heb je hem nodig.

3. Neem ook altijd een extra batterij mee. In koud weer lopen batterijen sneller leeg, en niets is zo frustrerend om ineens een lege batterij in de camera te hebben. Stop een volle batterij in de broekzak of elders op het lichaam, zodat die warm blijft

4. Neem een macro-objectief mee, als je dat hebt. Wanneer het echt lente is geworden – zeg maar vanaf april – ontluikt het leven. Ontluikend leven begint klein: steeds meer kleine bloempjes duiken op, kleine beestjes gaan rondkruipen, en met een macro-objectief maak je dat leven zichtbaar. Je ziet echt meer met een macro.

5. Neem ook een polarisatiefilter mee. Een polarisatiefilter is net als een polaroid zonnebril,  het haalt schittering weg en maakt daarmee dingen zichtbaar die anders onzichtbaar bleven. En wat een polarisatiefilter doet lees je hier en hier. Een polarisatiefilter is overigens niet gebonden aan een bepaald seizoen. Alleen in de winter ligt hij bij mij in de kast: dan heb ik hem echt te weinig nodig om altijd mee te slepen.

6. Trek rustige kleding aan. Dat is geen grap. Geen rode broek, geen wapperende blouses en andere zaken die de aandacht trekken. Dieren zien je echt al van ver aankomen. Zo probeerde ik ooit vlinders in de vlinderstruik te fotograferen, terwijl ik een rode broek droeg. Doe maar niet. Ik zag de vlinder steeds in alarmstand gaan en wegvliegen en pas weer terugkomen nadat ik mij had terug getrokken. Dat gebeurde een paar keer en dat was een kleine strijd wie dit zou winnen. De vlinder won.

7. Ga  eens op tuinsafari als je een tuin met groen hebt! Je hoeft echt niet ver te gaan om iets te vinden. In de gewone achtertuin gebeurt van alles. Je ziet het niet meteen, maar het krioelt er echt van het kleine leven. Op de grond, onder de bladeren, aan takjes, bloesem. Deze hommel vloog net op toen ik afdrukte en ik kreeg hem echt per ongeluk op de foto. Bij de buren is het gras echt niet altijd groener. Achterdeur uit en je bent er. En de volgende keer wil ik die hommel echt beter op de foto…

8. Neem de tijd. Overval de omgeving niet met je aanwezigheid. Alle dieren zien je dan als een gevaar en houden zich schuil. Ga zitten en beweeg met mate. Als de omgeving eenmaal aan je gewend is, komen de dieren in beweging en dan zie je echt van alles om je heen gebeuren.

9. Zorg voor schaduw. Dat heeft niet zo zeer met de lente te maken, maar meer met de techniek. Een felle lentezon is natuurlijk fijn en warm, maar geeft wel messcherpe schaduwen en harde beelden. Dat wil je niet in de lente. Als je fotografeert, doe dat het liefst in de schaduw: het licht is dan zachter en meer diffuus, de schaduwen en de kleuren zijn zachter. Natuurlijk heb je schaduw niet op afroep beschikbaar en soms is de enige schaduw die van jezelf. Gebruik die dan. Ga met je rug naar de zon staan en probeer jouw schaduw over jouw onderwerp te laten vallen. De foto komt er veel beter uit.

Je hoeft je natuurlijk hier niet allemaal aan te houden. Als het mooi rustig weer is, grijp dan je camera en loop dan gewoon naar buiten. Dat is geen probleem. Maar als de wolkjes regen voorspellen en/of de media roezemoezen van iets “dat er aan komt”  bereid je dan iets beter voor om ongelukjes onderweg te voorkomen.

Happy shooting! 

Wilt u meer weten over fotografie? Volg dan eens een workshop!