Het verschil tussen hard en zacht licht

De foto waar ik uiteindelijk wel tevreden mee was. Klik voor groot!

In Hoe zit dat met harde schaduwen schreef ik al over het effect wat licht op een foto kan hebben. Even samenvatten voor wie de link niet volgt: een direct licht levert messcherpe schaduwen op en dat wordt hard licht genoemd. Een diffuus verspreid licht levert zachte tot geen schaduwen op. En daarom willen fotografen liever geen directe zon bij het schieten. De foto’s worden knalhard en eigenlijk onbruikbaar.

Ik werd vorig jaar keihard met mijn neus op deze feiten gedrukt. Op 2 mei 2018 was ik aan de wandel op het Domplein en stond voor de entree van het Academiegebouw. Dat is dat gebouw met Sol Iustitiae (welja, even een link naar mijn andere site erbij) voor de deur. Het was echt mooi weer! De zon scheen, windstil, tamelijk warm en ik schoot er gewoon op los.

Zon

Ik maakte de foto van de entree en tijdens het schieten vroeg ik mij al af of ik hier wel iets mee kon doen. Ik zag meteen al dat er door de felle zon wel héél harde schaduwen te zien waren. Zonlicht kwam van rechts… en alles in beeld wierp een harde schaduw naar links. En Sol liet ook al zo’n vieze lichtplek zien.

Dat moest dus over. Op een andere dag. Met ander weer. Geen zon. En zacht licht. Op 7 januari 2019 was ik er weer.

Vergelijk beide foto’s eens en besef het verschil tussen hard en zacht licht. Links is de foto van 2 mei 2018 in de felle zon, rechts is die van 7 januari 2019. Ze zijn niet helemaal gelijk: blijkbaar zat ik op mijn hurken in mei 2018 en stond ik in januari. Het perspectief is dus wat anders helaas. Maar de strekking is wel duidelijk.


En dát is dus het verschil tussen hard en zacht licht. Het is het verschil tussen meestal onbruikbaar en bruikbaar. Direct zonlicht: beter niet doen.

Wilt u ook meer weten over fotografie? Volg dan eens een workshop!

WTF is een f/ ?

Wat is nu die f/ met een getal? Die cryptische code komt altijd terug bij de specificaties van een objectief, dus het zal wel belangrijk zijn. Ik merk in elk geval vaak glazige blikken als ik deze termen in een gesprek gooi. Dan zie ik mensen al snel wegdrijven en afhaken. Het zegt ze niets en vandaar deze verklarende blog. Die f/ heeft simpel te maken met licht en belichting, hoe je dat kan beheersen, en geeft ook de maximale lichtsterkte aan van het objectief. Maar wat moet je ermee? Hoe lees je dat?

Heel simpel: die f/ waarde is het diafragmagetal van het objectief, en is het resultaat van de brandpuntsafstand (f) gedeeld door de diameter van het diafragma (D).

Dus: Diafragmawaarde = f/D.

Voorbeelden:
Als ik een brandpunt heb van 100 mm, en een diafragmaopening van 10 mm, dan heb ik f/D = 100/10 = f/10. Heb ik een brandpunt van 75 mm en een diafragmaopening van 25 mm, dan is dat f/D = 70/25 = f/2,8. En elk zo’n waarde heeft invloed op de hoeveelheid licht die wordt doorgelaten en de scherptediepte. Met een f/ waarde kan je dus globaal voorspellen/precies berekenen hoe groot je scherptediepte wordt. En met een lichtsterk objectief, dus een objectief met een lage f/ waarde heb je minder licht nodig om toch goed te kunnen fotograferen. Er gaat dan veel licht door zo’n objectief.

Stop

En zo’n waarde heet een stop. Daar heb je hem weer. Onthoud dat woord, want dat is een kernbegrip in de fotografie en helemaal niet zo moeilijk. Een stop is niets anders dan een verdubbeling of halvering van het licht dat in de camera de sensor raakt.

Die stops zitten verstopt in de belichtingsdriehoek, waar de uiteinden van de driehoek de lichtgevoeligheid (ISO), de sluitertijd en het diafragma representeren. Alle drie variabelen werken met dezelfde stops. Zet je bijvoorbeeld het diafragma een stop meer open (dus 2x zo veel licht) dan moet je een van de twee andere variabelen weer een stop verminderen. Je krijgt dan evenveel licht binnen… dat overigens door de andere instellingen andere effecten geeft: je doet dit immers niet voor niets. Binnen die belichtingsdriehoek zit dus een gewenste foto en die kan je met een goede camera-instelling vinden.

Nu is er iets bijzonders met die stops aan de hand. Die stops hebben geen mooie ronde oplopende getallen, maar lijken een ratjetoe van willekeurige cijfers. Ik plaats ze even van een doorsnee objectief.

1 – 1.4 – 2 – 2.8 – 4 – 5.6 – 8 – 11 – 16 – 22 – 32

Die cijfers zie je trouwens steeds weer terug op elk objectief, dus zo toevallig en willekeurig zijn ze ook weer niet. Pak maar een objectief en stel vast dat dat klopt haha 🙂

Die rare oplopende getallen hebben te maken met een factor 2 in de oppervlakte van de diafragmaopening, volgens de formule √2=1,414. Voor elke halvering of verdubbeling van de oppervlakte moet je de diameter van het diafragma overeenkomstig vermenigvuldigen of delen, dus met die 1,414. Nu ben ik geen wiskundige (poeh nee zeg, alsjeblieft), en dit heb ik ook maar geleerd, maar dit is de reden waarom de intervallen en de getallen steeds met 1,414 oplopen. Elke vergroting van de diafragmaopening met deze factor levert een verdubbeling op van het doorgelaten licht – of een halvering natuurlijk als je een stop teruggaat. En dat is nu eenmaal de bedoeling van een stop.

Dus ja, die f/ waarde is dus meer dan alleen maar een beetje belangrijk. Het heeft wel betekenis. Moet je dan echt gaan rekenen en hogere wiskunde toepassen om te fotograferen? Nou nee, dat ook weer niet. Een f/ waarde geeft vooral de lichtsterkte aan van het objectief. Met een objectief met een lage f/ waarde heb je minder licht nodig om toch goed te kunnen schieten. Ga dus voor een lage f/ als het budget het toelaat.

Wilt u meer weten van fotografie? Volg dan eens een workshop!



Foto’s maken in de donkere maanden

Nu de donkere maanden weer zijn begonnen krijg je vaker te maken met

Een besneeuwde Zakkendragerssteeg in Utrecht in de nacht van 15 januari 20131/60s, f/5,6, ISO 5000

situaties waar je graag wilt fotograferen, maar waar de camera zegt ” meh, te weinig licht, ik zie niet genoeg” en er dus een slag naar slaat. Als je niet ingrijpt zullen de foto’s dan vaker als “mislukt” worden ervaren. Hier is een aantal tips om iets creatiefs en toonbaars met fotografie in de donkere maanden te doen. Of zelfs in alle situaties met weinig licht, want terwijl ik dit schrijf besef ik dat het onderstaande niet alleen van toepassing is op alleen de donkere wintermaanden, maar in elke situatie waar weinig licht is.

Wat zijn donkere maanden?

Die donkere maanden – laat ik maar even daarop houden – lopen grofweg van eind oktober tot eind januari. In de overige maanden is de nacht gewoon niet donker genoeg. Sterker nog: vanaf mei tot eind juli wordt het niet eens echt donker: op de langste dag (rond 21 juni) gaat de zon slechts 18 graden onder de horizon, sijpelt het zonlicht “s’ nachts” vanuit het noorden gewoon over Nederland heen, en gaat de avondschemering over in de ochtendschemering. Ga naar de hoogste etage van een flink flatgebouw en je zal langs de noordhorizon dan het zonlicht zien overstralen. Omgekeerd geldt dat in de langste nacht (21 december) het donkerder dan donker is. In de periode van eind oktober tot eind januari moet je creatief met de camera zijn. Het is ook niet voor niets dat de foto’s in deze blog juist uit de donkere maanden komen!

In Belichtingsdriehoek schreef ik al dat er drie variabelen zijn voor een goede belichting: de lichtgevoeligheid, de sluitertijd en het diafragma. Met die variabelen kan je een goede foto maken (en wat goed is, is een subjectief begrip, dat moet je zelf uitmaken). Maar ik vat even samen: als er weinig licht is, kan je natuurlijk de lichtgevoeligheid opvoeren, maar met een hogere ISO heb je meer kans op ruis. Je kan ook de sluitertijd verlengen, maar dan heb je weer meer kans op bewegingsonscherpte van jou, je onderwerp of zelfs allebei. En je kan ook het diafragma verder openzetten, maar dan wordt je scherptediepte weer kleiner, zodat er weinig ruimte is voor scherpe foto’s. Wat een gepuzzel hé, dat fotograferen?

Het gaat er natuurlijk om dat de camera een werkbare hoeveelheid licht ontvangt om daar een toonbaar plaatje van te maken.

Dus wat doe je eraan?

1. Maak gebruik van de aanwezige lichtbronnen en accepteer verder de duisternis in de foto.
Er is niets mis mee om de sfeer van het seizoen of de situatie te fotograferen. Met een aanwezige lichtbron in beeld richt de camera zich daarop en pakt het nabije onderwerp mee. De rest van de foto zal dan donkerder blijven.

  • Zet je onderwerp dichter bij een lichtbron. Het licht van de lichtbron zal dan jouw onderwerp beschijnen, maar de omgeving valt in het duister weg.
  • Maak gebruik van kaarslicht. Vul de omgeving met wat sfeerkaarsen en het beeld wordt meteen al anders.
  • Dim de aanwezige elektrische verlichting. De kerstverlichting in een donkere achtergrond is een prima beeldelement.
  • Maak gebruik van projectielicht. Zet je onderwerp in die lichtvlek en je hebt een mooi plaatje, waar de omgeving in de duisternis veelal wegvalt.
  • Zoek speciale gelegenheden die opvallen, zoals nieuwjaar. Zelf doe ik dat niet. Vuurwerk vind ik dieronvriendelijk, milieuonvriendelijk en mensonvriendelijk, dus daar houd ik mij niet mee bezig. Maar in de galerij hieronder heb ik een foto van onschuldige kleine sterretjes opgenomen die ik nog had liggen. Het gaat om het idee.
  • Maak gebruik van het al aanwezige licht. Vooral in de binnenstad helpen straatlantaarns enorm.

Zie de voorbeelden in de galerij. Beweeg de muis over de foto’s en met de pijltjes kun je doorscrollen. Klik je op een foto in het rijtje eronder wordt die vergroot in een popup.

2. Gebruik een statief.
Dat is natuurlijk een mogelijkheid. Met een statief ben je in staat om binnen de belichtingsdriehoek te spelen met ISO, sluitertijd en diafragma. Maar een statief is wel de dood voor de spontaniteit. Hou kinderen en dieren maar eens stil als je met een statief aan de gang bent. Ik gebruik zelden een statief. Teveel gedoe. Teveel gesleep.

Het VOC schip Amsterdam bij het Scheepvaartmuseum. De foto is met statief genomen met 30 seconden, F/4 en ISO 50.

3. Gooi toch het diafragma open.
Een open diafragma geeft een kleine scherptediepte en het is dé tool voor een creatieve foto! Heb je weinig licht, dan is het te overwegen om toch het diafragma verder te openen. Je krijgt dan minder scherptediepte in de foto, maar het isoleert het onderwerp wel van de omgeving.

Deze foto van het Amsterdam Light Festival 2014 was gemaakt met 1/2000 s, f/4, ISO 1600. Er was toch relatief veel licht, dus kon sluitertijd kort en de ISO niet te hoog. En de sfeer is er nog.

4. Gooi toch (liefst beperkt) de ISO omhoog.
Als het echt niet anders kan, verhoog dan toch de lichtgevoeligheid. De camera ziet dan wat meer, het uiteindelijke effect is nog steeds sfeer in het beeld, maar je hebt wel meer kans op ruis in de foto. Prima, als je meer ruis kan accepteren. Stel je camera dan in op auto ISO. Als je camera die functie heeft, zal de camera automatisch een passende lichtgevoeligheid instellen voor elke foto. Maar of je dát wilt, is ook weer een ander verhaal.

Amsterdam Light Festival 2013, iets met UV-licht vandaar de rare kleuren. 1/4s, f/5, ISO 3200

5. Maak toch gebruik van een langere sluitertijd.
Een langere sluitertijd geeft meer licht op de sensor, maar verhoogt de kans op bewegingsonscherpte. Dat is een risico, maar als de onscherpte gering is en je kan er mee leven: zo houden. Verder is een langere sluitertijd niet mijn favoriet. Het vereist eigenlijk een statief en zoals gezegd gebruik ik die zelden. Ik heb het wel geprobeerd om dan uit de hand met langere sluitertijd te schieten. In dat geval twee woorden: Niet doen.

6. Shop er op los!
Natuurlijk zullen veel foto’s er eerst anders uit zien. Anders dan je gewend bent, anders dan je verwachtte. Het is donkerder en je gebruikte geen flits. Die ervaring heb ik ook. Maar niets verbiedt je om met een beeldbewerker de foto’s nog wat op te peppen en op te leuken. Zelf als je alleen in JPEG schiet, is er er met een beeldbewerker nog flinke winst te behalen. Voor deze blog zijn de foto’s ook flink geshopt. Maar dat doe ik altijd met foto’s: als je in Raw schiet moet je nu eenmaal bewerken. Als je in JPEG schiet heb je de foto’s al, en mag je bewerken.

Berg je camera niet op!

Zoals je ziet, gebeurt er van alles in de donkere maanden. Amsterdam heeft het jaarlijkse Amsterdam Light Festival, Eindhoven heeft Glow, het Noord-Hollandse Den Ilp heeft ook een lichtjesroute, om maar wat voorbeelden te noemen, en dan heb je ook nog eens de ontelbare kerstmarkten en winterbraderiën om de mens ook in het donker bezig te houden. Zoek eens wat op in de buurt en dan maar schieten!

Wilt u meer weten over fotografie? Volg dan eens een workshop!

Het licht zien met een polarisatiefilter

 

Als je, zoals ik, nogal eens moet wachten op de bus of de trein, is het zo ongelooflijk handig als je je cameratas bij je hebt om de tijd te verdrijven. Anderen zitten appelig voor zich uit te kijken, of op de smartphone te pielen, ik pak dan de camera erbij om in de buurt wat te fotograferen of op een andere manier te experimenteren met licht. Zo zat ik in Lunetten te wachten op de bus, het was heet en zonnig, en om die 20+ minuten te slijten ging ik eens kijken hoe het zonlicht zich gedroeg samen met een polarisatiefilter.

Een polarisatiefilter is een filter die je op je objectief kan schroeven en met een draairing kan kantelen om het invallende licht zo goed mogelijk te filteren. Je kan hem ook voor het gemak even voor je neus houden en draaien om het effect te zien.

Licht filteren?

Nu moet je weten dat het licht dat wij zien niet zomaar licht is. Wij zien het wel als licht en meer niet, maar dat is alleen omdat het licht op een bepaald moment ons netvlies raakt en zichtbaar voor ons wordt, maar verder niets zegt over de richting. In werkelijkheid bestaat licht uit een mengelmoes van fotonen die uit alle richtingen op ons afkomen en elkaar soms ook kunnen neutraliseren. Anders gezegd: licht is aan alle kanten gepolariseerd. En met een polarisatiefilter houd je licht uit een bepaalde richting tegen, zodat ander licht wel zichtbaar wordt. Zo hef je bijvoorbeeld schittering van water op en kan je dwars door het oppervlak heen kijken om zwemmende vissen zichtbaar te maken. MOOI HÉ?  Ja ja, die Dauerwerbung over polaroidbrillen maakt geen geintjes. Het werkt echt zo.

Kortom: ik ging even spelen met mijn polarisatiefilter.

Vergelijk eens de twee volgende foto’s die ik nam vanaf de halte van bus 10 bij station Lunetten. In foto 1 heb ik het filter niet ingeschakeld, en de reflectie van het Aristogebouw is duidelijk zichtbaar in het glas en in het plastic van het mededelingenbord. Niet alleen dat, ook de blokmarkering van  halte B en andere beverving (is dat een woord?) is zo duidelijk zichtbaar dat ik eerst dacht dat die bij halte A hoorde.

Ik draaide toen het filter een kwartslag om hem in te schakelen en kreeg het volgende effect in foto 2 (even op het pijltje klikken). Ineens was het Aristogebouw helemaal weg – het filter hield die reflectie tegen. Ook was de reflectie van de bestrating compleet verdwenen. De reflectie van de overkapping verdween. Bovendien leek de glasplaat minder smoezelig.

 

 

Verder bleek de reflectie in het plastic van het mededelingenbord wat verminderd.

Werking

Dat is heel eenvoudig gesteld de werking van een polarisatiefilter. Het houdt licht uit een bepaalde richting tegen en geeft ruimte aan licht uit een andere richting. Een filter geeft ook meer contrast aan een foto. Kleuren worden feller. Groen wordt vaak groener. De lucht wordt vaak blauwer, tot soms wel bijna zwart, en wolken worden vaak witter. Een voorbeeld kan je zien in mijn eerdere blog hierover.

Verder werkt een polarisatiefilter het best met de zon haaks op de kijkrichting. Hoe kan licht elkaar anders neutraliseren als het in dezelfde richting beweegt? Vergelijk het met twee auto’s: op de snelweg bewegen die in dezelfde richting en hinderen elkaar niet. Op een kruising hinderen ze elkaar wel, als ze elkaar haaks passeren. Dan is het boem. Verder werkt een polarisatiefilter niet met bewolking, en dat heb je vaak in de winter, en niet met metaal. Reflecties in glas zoals ik hierboven laat zien werken altijd. Dan maakt het niet uit waar de zon staat.

Nadeel

Is het dan altijd hosanna met zo’n filter? Nee, een polarisatiefilter houdt een deel van het invallend licht tegen, en dat is ongeveer een à twee stops. Het betekent dat je op dat punt moet ingrijpen, hetzij door een groter diafragma (dus kleinere scherptediepte), of een hogere ISO (dus meer ruis in de foto), of een langere sluitertijd (dus meer kans op bewegingsonscherpte). Dat is in de zomer niet echt probleem. In de zomermaanden komt er zo’n puist licht naar binnen dat zo’n ingreep geen grote gevolgen heeft. In de winter daarentegen is de zonkracht vaak zo laag dat het gebruik van een polarisatiefilter snel effect heeft op de kwaliteit van de foto. Het is ook de reden dat ik het filter van zeg november tot april in de kast heb liggen.

Een polarisatiefilter is een van de weinige filters waarvan de functie niet via Photoshop of Lightroom is na te bootsen. En dat zal ook niet gebeuren. Een polarisatiefilter grijpt rechtstreeks in in de filtering van licht en maakt ter plaatse licht zichtbaar dat anders niet zichtbaar zou zijn. Dat kunnen Photoshop, Lightroom of welk ander beeldbewerkingsprogramma niet. Een foto legt van alles vast, maar niet de polariteit van licht. Reflecties kan je achteraf niet verwijderen.

Polarisatiefilters kun je gewoon kopen in de detailhandel, en dan zeg ik DOEN. Het is geen specialistisch filter en je hoeft er niet voor door hoepels te springen om er een te bemachtigen. Let er wel op dat je een circulair polarisatiefilter koopt als je een camera hebt die door de lens meet of autofocus heeft. Koop je per ongeluk een lineair filter dan raakt je camera van slag…. Goed opletten dus. En dan heb je een mooie toevoeging aan je inventaris waarmee je je foto’s een level hoger zet.

Wilt u meer weten over fotografie? Volg dan eens een workshop!