Het verschil tussen de belichtingsdriehoek en belichtingscompensatie

Als jouw camera veel licht ziet, kan je het diafragma dichtdraaien, de sluitertijd verkorten, of de lichtgevoeligheid aanpassen. Huppetee, minder licht. Zo makkelijk gaat dat. Probleem opgelost. Het zijn nu eenmaal de drie variabelen van de belichtingsdriehoek. Dat vertel ik altijd tijdens presentaties en workshops.

Tegelijk besef ik dat er een verschil is tussen die variabelen als geheel en de belichtingscompensatie. Beide hebben invloed op het te verwerken licht. En toch is het anders.

Het verschil zit hem hierin dat de verwerking van het invallende licht mede afhankelijk is van de interne camera-instelling. Die interne instelling is geschikt voor de meeste omstandigheden… maar niet allemaal. Lichtrijke omgevingen zijn dan namelijk het haasje.

En dat verschil heb ik consequent te weinig benadrukt.

Waarom te weinig benadrukt? Geen idee.
Ik geef workshops basisfotografie waarbij ik de basis van de camera in Jip en Janneketaal uitleg. Blijkbaar vond ik de belichtingsdriehoek en de belichtingscompensatie op zichzelf wel belangrijk, maar het verschil tussen die twee misschien een beetje te veel van het goede. Het is al heel veel en ik zie soms wel eens bijna system overload.
Ik ga dat verschil nu toch wel meer benadrukken. Voortschrijdend inzicht zegt dat dat wel belangrijk is.

Stukje techniek

Een digitale camera verwerkt het invallend licht op de sensor tot een digitaal plaatje. Daarbij streeft de camera standaard naar wat ze noemen een 18% grijsniveau. Een camera ziet namelijk geen kleur. Kleur wordt er later bijberekend, maar een camera is eigenlijk kleurenblind.

Dat betekent dat de camera in alle voorinstellingen behalve de manuele voorkeuze – zie hierrr…. voor een uitleg van die instellingen – altijd streeft naar dat 18% grijsniveau.

De voorkeuzeinstellingen van de camera.

Anders gezegd: welke instelling je ook neemt (behalve dan de manuele stand) zal de camera het invallende licht op een gelijke manier verwerken.

En daar zit het verschil tussen de belichtingsdriehoek en belichtingscompensatie. De camera is standaard verteld om naar 18% grijsniveau te gaan en dan zal die dat doen. Pas als je dié instelling – de belichtingscompensatie dus – aanpast, zal de camera zich richten naar de nieuw ingestelde waarde.

Wintersport

Als je dus naar de wintersport gaat, kom je hopelijk in een sneeuwrijke omgeving. Daar ga je immers voor 😉 Heel veel gereflecteerd licht dat van alle kanten op de camera afkomt. Maar met de standaardinstellingen op de camera heb je dus niks aan gepiel met je diafragma, je sluitertijd of lichtgevoeligheid. De camera zal zich altijd richten naar een 18% grijsniveau…. en dan worden je foto’s toch grijs, grauw, vies en helemaal niet fijn om naar te kijken.

Er komt namelijk een hele puist licht op de camera af. De camera zegt “hola, veel te veel licht, dat moet ik niet hebben, weg ermee” en past de lichtinval aan om aan het 18% grijsniveau te komen. Camera tevreden. Jij niet. Want de fijne wintersport zie je niet terug in de foto’s. Die worden lelijk.

Het enige wat je wel hebt, is dat het diafragma tijdens het fotograferen potdicht zit, zodat alles maar dan ook alles haarscherp op de foto komt. Haarscherp en grijs. Maar daarvoor maakte je die foto’s niet. Grijze sneeuw kan je namelijk ook hier op straat maken. Zeker met de spits. Je wilde witte sneeuw. En dat lukt niet met de standaardinstellingen.

Belichtingscompensatie

Dus…. het is dan soms beter om een nieuwe standaardinstelling via de belichtingscompensatie aan te passen. Je vertelt de camera dan om zich niet naar 18% grijsniveau te richten, maar bv naar 10%.

De lichtinval is hetzelfde en de camera werkt verder gewoon hetzelfde. De verwerking van het invallende licht is echter anders en zal in dit geval leiden naar wittere sneeuw en, om even helemaal compleet te zijn, ook naar vollere intensere kleuren. Zoals in een wintersportbrochure.

Oh, ik heb nog steeds niet een goede definitie van 18% grijsniveau kunnen ontwikkelen. Ook niet gevonden. Je zult even mijn woord moeten nemen, mij vertrouwen op mijn blauwe bruine ogen en de term voor kennisgeving moeten aannemen. Sorry.

En dat is iets wat je met de standaardinstelling niet zal kunnen bereiken.
Dat is het verschil met de standaardinstelling.

TIP TIP TIP!
U wilt vast meer weten over fotografie! Volg dan eens een workshop!

Neem ik de Av of neem ik de Tv?

Een aantal blogs geleden zat ik fijn te monkelen over de voorkeuzeknop van de camera. Hierrrr kan je dat teruglezen als je dat wilt – en dat wil je want deze blog gaat daarop door. Met die voorkeuzeknop laat je de camera werken zoals jij het wilt, mits je hem natuurlijk van de groene automatische stand afhaalt want op Groen kan je helemaal niks zelf.De camera streeft altijd naar een goede belichting en als je voor de Av (A bij de Nikon) gaat, kan je het diafragma instellen en de camera past daar de sluitertijd op aan. Ga je voor de Tv (S bij de Nikon) controleer je de sluitertijd en de camera past daarop het diafragma aan.

Alles voor een goede belichting natuurlijk.  Het verschil is natuurlijk dat je met “de Tv” het beeld kan bevriezen en met “de Av” meer grip hebt op de scherptediepte.  En daar heb ik ook weer een blog over geschreven.

Mijn voorkeur was altijd de Av. Het merendeel van mijn foto’s is met de Av-stand geschoten. Landschap: Av. Evenementen: Av. Dieren: Av. Eigenlijk was ik heel beperkt bezig door alles maar in Av te doen. Nou ja, niet alles, met flitsers zet ik hem in de M van Manueel, omdat ik dan alles in de hand wil hebben. Maar op locatie – buiten met daglicht of binnen met kunstlicht – nam ik het niet zo nauw en pakte ik de Av. Argeloos? Ja, maar het werkte wel. De belichting was altijd okee, omdat de camera compenseerde met een juiste sluitertijd. Maar toch…. ik begon mij te storen aan de side-effects van die Av.

Side-effects

Het kwam nogal eens voor dat normale bewegingen van een persoon een ongewenste bewegingsonscherpte op de foto gaf. Je ziet dan bijvoorbeeld een vage vlek van wat een hand moet zijn die in de normale beweging is vastgelegd. Ik had dus een kleiner diafragma genomen zodat de sluitertijd langer werd – en dan kreeg je dat normale bewegingen niet normaal op de foto kwamen. Die wilde ik niet.

En nu vind ik mijzelf in een beweging dat ik tóch richting Tv ga. Ik fixeer de sluitertijd op zeg 1/125 seconde en laat de camera de diafragma bepalen. Zo voorkom ik dat er geen ongewenste bewegingsonscherpte in de foto krijg.

Maar, maar, maar…. de scherptediepte dan, hoor ik de vraag al in de verte. Als de camera een groter diafragma neemt om de verminderde belichting door de korte sluitertijd te compenseren, heeft dat natuurlijk gevolgen voor de scherptediepte. Groter diafragma = kleinere scherptediepte, en dan kan het onderwerp wel eens niet helemaal scherp op de foto komen. Jaja, zo rolt de fotografie.

Nou dat heb ik weer opgelost door dan een iets hogere ISO in te stellen. ISO 400 is 2 stops hoger dan ISO 100 en dus zal de camera het diafragma 2 stops dichter trekken. En dát heeft weer te maken met de belichtingsdriehoek. En dan wordt de scherptediepte ook weer groter voor het onderwerp dat ik scherp op de foto wil hebben..

TIP TIP TIP!
U wilt vast meer weten over fotografie! Volg dan eens een workshop!

De belichtingsdriehoek

Je hebt drie variabelen die een foto bepalen. De lichtgevoeligheid, de sluitertijd en het diafragma. Samen vormen ze de belichtingsdriehoek.

Het ligt zo ook erg voor de hand. De belichtingsdriehoek ziet er zo uit.  Niets meer en niets minder.

Keuzes

Aan de uiteinden van de belichtingsdriehoek staan de drie variabelen. Als je de sluitertijd met een stop verlengt (dus de tijd verlengt, van bv 1/60 naar 1/30) komt er twee keer zoveel licht op de sensor, maar heb je weer meer kans op bewegingsonscherpte. Als je de ISO met een stop verhoogt, krijg je meer ruis. Als je het diafragma met een stop meer opent, wordt de scherptediepte kleiner. Dat betekent echt keuzes maken om de gewenste foto te krijgen.

Een bewogen foto wil je liever niet, dus de sluitertijd moet minstens 1/60 zijn – vuistregel is zelfs dat de sluitertijd ongeveer gelijk moet zijn aan de gekozen brandpuntsafstand. Een brandpunt van 105 mm vraagt dus om een sluitertijd van 1/100 seconde (een sluitertijd van 1/105 s zie ik nergens…).  Dan moet het diafragma verder open, maar dan vallen delen van het object waarschijnlijk weer buiten de scherptediepte. Misschien wil je dat niet. Hogere gevoeligheid dan? Dan heb je weer meer ruis. Het is een wisselwerking en een voortdurend afwegen van keuzes.

Wisselwerking

Nu begrijp je waarschijnlijk ook de wisselwerking tussen de drie variabelen met de stops. Als je de sluitertijd met een stop verlengt (+1), zul je of de ISO met een stop moeten verlagen (-1) of het diafragma met een stop dicht doen (-1). Niet allebei, want +1 -1 -1 = -1 en dan wordt de foto onderbelicht. Zo zie ik dat dus. Het is het tellen van de waarden, waarbij ik doorgaans uitga van een vaste sluitertijd. En de belichtingsmeter in de zoeker bevestigt dan of je het goed doet. Dat maakt het weer makkelijker.

En ook hier geldt weer: je hoeft je er niet aan te houden. Niemand houdt je tegen eens te experimenteren met ruis, met beweging, met scherptediepte, met over- en onderbelichting. Dat kunnen heel bijzondere effecten geven.

Het is eigenlijk niet zo moeilijk. Toch?

TIP TIP TIP!
U wilt vast meer weten over fotografie! Volg dan eens een workshop!

Hoezo ISO?

Een camera moet gevoelig zijn voor het invallende licht (duh!). Die gevoeligheid wordt uitgedrukt in de norm ISO, gedefinieerd door de International Organization for Standardization. Deze ISO is gelijk aan het vroegere ASA van de American Standard Association en wordt nog steeds gebruikt voor filmrolletjes. Er was ook nog DIN van het Deutsches Institut für Normung, maar die norm zie ik al jaren niet meer.

Stops

ISO dus. Met ISO stel je de gevoeligheid van de camera in. ISO werkt steeds met een verdubbeling of halvering van de lichtmeting, de stops. Onthoud dat woord. Dit komt steeds terug. Juist omdat licht nooit altijd en overal hetzelfde is (het kan zelfs per seconde veranderen als er een wolk voor de zon schuift) werd al in de analoge tijd het stopsysteem ontwikkeld. Een 2x hogere ISO betekent een halvering van de sluitertijd of verkleining van het diafragma. Als licht 2x versterkt wordt, moet immers het invallend licht gehalveerd worden om tot hetzelfde resultaat te komen. Het licht moet dus gemeten worden en het resultaat van die meting kan je zien in de zoeker. Daar zie je een wijzer die in het midden op 0 (nul) moet staan. Staat de wijzer naar rechts, dreigt overbelichting. Staat de wijzer naar links, dan wordt de foto onderbelicht. Die stops worden aangeduid met een waarde.

Achtereenvolgens heb je 100-200-400-800-1600-3200-6400 etc.

In de analoge tijd was dit de standaard. Films werden en worden nog steeds in deze maten geleverd, hoewel 100 ISO tegenwoordig besteld moet worden. Een digitale camera kan echter de gevoeligheid per foto toepassen en ook nog eens desgewenst met 1/3 tussenstappen. Op mijn camera zie ik achtereenvolgens

100-125-160-200-250-320-400-500-640-800-1000-1250-1600-2000-2500-3200-4000-5000-6400 ISO.

Per camera kan dit overigens verschillen. De kleinere instapmodellen hebben minder mogelijkheden en minder toeters en bellen dan hun grotere broers.

Ruis

Maar wat nu als je een foto wilt maken in een minder goed verlichte omgeving en je hebt geen flitser, of je kunt of mag niet flitsen? Kan je dan zomaar de ISO verhogen? Dat kan natuurlijk. Je wilt wel een foto hebben waarop iets te zien is. Hogere gevoeligheid, hogere ISO dus, kan echter niet tot in het oneindige. Als je de ISO te hoog instelt kan dit tot ruis in de opname leiden.

De sensor heeft namelijk een aantal lichtgevoelige cellen, de photosites. Dat zijn géén pixels! Pixels komen pas later in de afbeelding naar voren. Die photosites zijn kleine lichtgevoelige cellen die het invallende licht omzetten naar een elektrisch signaal. Al die signalen vormen het uiteindelijke beeld. Naarmate er meer photosites op een sensor worden geplaatst, moeten ze dus kleiner zijn en valt er per photosite minder licht op. Met een hogere ISO kan je dat probleem wel tegengaan door het afgegeven signaal te versterken. Versterking geeft echter snel meer ruis in het signaal, zeker bij de goedkopere cameramodellen. Vergelijk het met de versterker van een stereo. Als je die zonder muziek op 10 zet, hoor je ook ruis uit de luidsprekers komen.

Vraag je dus eens af of het aantal megapixel op de sensor wel zo interessant en relevant is.

Je kan een hogere ISO gebruiken om het beeld op te lichten. Vergelijk het verschil eens met twee foto’s die ik in de nacht maakte.  De foto’s zijn gemaakt met een Canon 5D Mark 2, met ISO 3200 tijdens het Amsterdam Light Festival, waar je dus geen flitser kon gebruiken om de essentie van het festival (kunst en licht in de nacht) niet te ondermijnen. De sluitertijd was 0,40 seconde. Beide foto’s komen van hetzelfde Raw-bestand die ik op twee manieren heb bewerkt. Links met ruis zoals het van de camera kwam, rechts is zonder ruis nadat ik er mee bezig was geweest.

Hier een foto met gedwongen lange sluitertijd en hoge ISO. Om te vergelijken heb ik de ruis maar eens laten zitten.
Hier een foto met gedwongen lange sluitertijd en hoge ISO. Om te vergelijken heb ik de ruis maar eens laten zitten.
Hier een foto met gedwongen lange sluitertijd en hoge ISO.
Hier een foto met gedwongen lange sluitertijd en hoge ISO.

Je ziet het misschien, hogere ISO is meer ruis. En geloof me, ruis heb je altijd wel. Ook als ik mijn camera op 50 ISO heb staan zie ik het lichtjes opduiken in de nabewerking. Ruis is te herkennen aan zwartwitte vlekjes (luminantieruis) en kleurruis (chromaruis). Het hoort erbij. Het wegpoetsen ook. Wegpoetsen is een standaard handeling in de nabewerking. Maar probeer, als het even kan, een zo laag mogelijke ISO te gebruiken om de hoeveelheid ruis tegen te gaan!

ISO en de sensor zijn twee oorzaken van ruis in de foto. De andere twee zijn de sluitertijd en de nabewerking. Die komen in een latere blog aan de orde.

TIP TIP TIP!
U wilt vast meer weten over fotografie! Volg dan eens een workshop!