Dierenliefde

Dierenliefde is een oud verhaal wat ik schreef in augustus 2005, toen mijn kat alweer 20 jaar dood was. Ik was wel tevreden over het verhaal. Omdat het alweer augustus is, plaats ik hem nog eens hier.


Dierenliefde

Op de stoel tegenover mij plofte een man neer met droevige ogen. Uit een tas haalde hij een grote envelop die hij op tafel legde. Hij maakte hem open en haalde er een stapel foto’s van een huisdier uit waar hij ongetwijfeld zeer aan gehecht was. Hij begon ze uitgebreid te bekijken.

De man bemerkte kennelijk dat ik mijn boek dat ik zat te lezen verlaten had en zat te kijken wat hij zo allemaal uitstalde op tafel. “Dit is mijn kat, meneer”, zei hij. “Hij is dood. En ik mis hem. Kijk, dit is hem”.

December 1975

De man liet me een foto zien van een zwarte kat die met welbewuste ogen vanaf een stoel de camera in keek. Voorpootjes ingeklapt en de staart om de achterpootjes gevouwen. “Zeventien jaar is hij geworden, meneer”, vervolgde hij, “en ik weet ook wel dat zeventien jaar een flinke leeftijd is. De meeste katten worden niet zo oud. Het was zijn tijd gewoon. Maar het was niet mijn tijd, meneer. Zeventien jaar lang was ik me er niet van bewust dat hij er ook eens niet zou zijn. Ik was er gewoon niet klaar voor.”

De man keek weer naar de foto. “We waren als twee handen op een buik”. Hij lachte een beetje. “Nou ja, een hand en een pootje eigenlijk. We wisten alles van elkaar. We praatten zelfs met elkaar. Als ik ziek was, kwam hij bij mij op bed liggen. En als ik met hem naar de dierenarts moest, ging hij gewoon mee, want hij wist dat er niets te vrezen was. Didas heette hij, de lieverd. Hij was vernoemd naar een oude reclame voor dekens. Misschien herinnert u die zich wel.” Ik herinnerde me die reclame wel en moest erkennen dat dat wel een heel oude reclame was.

“Weet u, meneer, ik herinner me nog alles van Didas. Hoe zijn stem klonk, waar hij van hield, waar hij niet van hield. Je mocht bijvoorbeeld niet aan zijn achterpootjes en staart komen. Dat vond ie niet fijn. Kreeg je een lel van als je niet uitkeek. Hij heeft ook me eens een pets op mijn oog gegeven omdat ik het waagde tegen de haren op zijn kopje in te blazen. Vond ie ook niet leuk, dat was wel duidelijk.” Weer een lachje. “Ach, ik vroeg er ook wel om en ik was niet boos op hem.”

De man was duidelijk op zijn praatstoel gaan zitten. Hij leek er zelfs blij om dat hij eens kon vertellen. “Ik weet nog hoe ik het drie uur lang op de bank uithield met een slapende kat op schoot. Zonder boek of tijdschrift en geen tv moest ik wachten tot meneer eens uitgeslapen was. En als ik dan heel even een been bewoog schoten de nagels in mijn been opdat ik toch echt niet zou opstaan. En ja, dat deed ik dan niet. Ik weet ook wel dat dat een beetje raar is, drie uur lang zitten op de bank met een kat op schoot, zonder iets te kunnen doen. Maar ik deed het toch maar.”

“Ik weet ook nog precies hoe zijn vacht voelde. Wacht even”. De man begon in de envelop die op tafel lag te graaien en haalde er voorzichtig een tweede envelop uit. ‘Didas’ stond er op geschreven, met wat datums erbij. Met een nog grotere voorzichtigheid haalde hij er een dubbelgevouwen stukje toiletpapier uit. “Dit is een stukje vacht dat ik van hem heb kunnen bewaren,” zei hij. “Hij was net dood en ik knipte dat af zodat ik toch iets van hem had. Ik deed dat op een verborgen plekje, zijn borst, zodat hij geen zichtbare rare kale plek had”. Hij vouwde het velletje papier open. Het papier bevatte een plukje haar, zwart en schoon. Aan de verspreiding op het papier te zien was het kleinood al eerder geopend geweest. “Ja meneer, soms kijk ik er naar en raak ik het aan. Weet u dat dat fijn is? Ik heb niet zoveel foto’s van Didas en om hem dan nog te kunnen aaien… ” Hij ging met twee vingers zacht over de haren heen. “Ik doe dit niet zo vaak. Want elke keer als ik dit doe, raak ik wat kwijt ben ik bang. Maar soms moet ik het zien en aanraken en dan kan ik er weer een tijdje tegen.” Hij vouwde het papier weer voorzichtig dicht en stopte het geheel omzichtig in de envelop.

“Toen ging hij dood. Eind juli zag ik hem liggen in het gras. Ik wist meteen dat er iets aan de hand was, want zo lag hij er nooit bij. Zo helemaal uitgestrekt en hijgend. Ik vloog naar buiten. Didas bleek niet meer te kunnen plassen en zijn blaas zat helemaal vol. Hij bleek nog wel te kunnen plassen toen hij helemaal rechtop werd getild. Het gutste eruit, meneer. Leek wel een halve liter. Het moest echt heel erg pijn gedaan hebben. Ik ging meteen naar de dierenarts voor een onderzoek en een middel. Maar een paar dagen later, op 3 augustus, ging hij dood. Volgens de dokter was er een infectie op zijn nieren geslagen. Het zal wel. Ik weet dat niet. Ik ben geen dokter.”

Er volgde een stilte. Ik realiseerde me dat het nu ook augustus was.

“Ik wist toen wel dat mijn maatje er niet meer was. Ik had geen vrienden, meneer. Ja een, en die was nu weg. Dat was de enige keer in mijn leven dat ik echt gebruld heb. Niet een beetje, maar echt heel hard. Toen voelde ik me alleen en dat is eigenlijk altijd zo gebleven. Hij ligt begraven in de tuin van het huis waar ik toen woonde. Pal onder de struik waar hij zo graag in lag. Daar ligt hij nog steeds.”

De man pakte zijn spullen in. Hij was kennelijk klaar met herinneren en vertellen. “U zult misschien denken, waar deze man zich zo druk om maakt,” zei hij. Ik wilde zeggen dat ik dat niet dacht, maar ik kwam er niet aan toe. “De meeste mensen denken dat. ‘Het is maar een kat’, vinden ze. Maar niet voor mij, meneer. Zeventien jaar lang hebben we lief en leed gedeeld en dan doet het pijn als zo een lange periode voorbij is. Ik mis hem, meneer. Nog steeds. Dit jaar zou hij 37 geworden zijn.”

 

Jan vd Knaap

19 augustus 2005

 

 

Didas stierf op 3 augustus 1985.