Fotograaf en de modelovereenkomst

_MG_9722_bewerkt-1blogEen paar dagen geleden ploepte er een tweet van een fotograaf op mijn scherm die luidde “ ik zoek modelovereenkomst fotografen en fotomodellen. Wie heeft er een?” Omdat ik zelf nogal bezig ben met die materie tweette ik terug “Heb je als fotograaf wel een modelovereenkomst nodig? Volgens mij niet.” Niet lang daarop kreeg ik als antwoord “Volgens de belastingtelefoon wel.

Nu geloof ik de antwoorden van de belastingtelefoon dus nooit. Die bel ik zelf ook nooit. Niet omdat ik fijn dwars wil zijn en alleen de gewenste antwoorden wil horen, maar uit ervaring weet ik dat de antwoorden van de belastingtelefoon vaak gegeven worden door ingehuurde onderknuppels, die gelet op hun stem nog te jong zijn om onderbouwde uitspraken te doen. Ga je dan zoeken op internet, krijg je heel andere uitkomsten van bovenknuppels, onderbouwd, gemotiveerd en wel.

Nu is het zo dat de wet DBA (Deregulering Beoordeling Arbeidsrelatie) een wet is die naar mijn mening te snel in elkaar geflanst is. Staatssecretaris van Financiën Wiebes moest ook zo nodig en componeerde een wet die uiteindelijk – met vertraging dat wel – in mei 2016 in werking trad. Die DBA is een vervanging van de VAR (Verklaring ArbeidsRelatie) en beoogt schijnzelfstandigheid tegen te gaan door met modelovereenkomsten te werken. Ik schreef daarover in maart 2016 al een blog, waarin ik voorspelde dat er een enorme uitstroom van zelfstandigen zou optreden en lo and behold  kreeg ik daarin eens even een boel gelijk.

Modelovereenkomst

Toch ging ik nadenken over de vraag van die fotograaf en vroeg mij af “Hebben fotografen überhaupt een modelovereenkomst nodig?”

En ik overwoog.
Zo’n modeloverkomst uit de DBA beoogt schijnzelfstandigheid tegen te gaan. Schijnzelfstandigheid in die zin dat je in naam wel als ondernemer binnen een bedrijf een opdracht uitvoert, maar verder wel meedraait als zijnde een werknemer in dienstverband. Schijnzelfstandigheid is een doorn in het oog van de overheid, want daarmee loopt zij wel een steeds groter deel van de loonheffing mis. Het zijn namelijk ondernemers die daardoor geen loonheffing hoeven af te dragen, maar verder wel aan de voorwaarden van een dienstverband voldoen.

Die voorwaarden voor een dienstverband zijn namelijk werk, betaling, gezagsverhouding. Als een van die voorwaarden ontbreekt is er geen dienstverband. Neem je als ondernemer een klus aan, dan doe je werk waarvoor je wordt betaald. Er hoort dan geen gezagsverhouding te zijn; de opdrachtgever kan je niet vertellen hoe je iets moet doen, want dat maak je zelf wel uit.
Ben je als zelfstandig bezig aan een klus zonder gezagsverhouding, en is het dus zonneklaar dat er geen dienstverband aanwezig is, heb je géén modelovereenkomst nodig.

Maar, maar, maar… hoor ik sommigen al monkelen, er bestaat ook zo iets als een fictief dienstverband. Een fictief dienstverband wordt aangenomen als je een klus aanneemt die langer dan 30 dagen duurt, waaraan je minstens twee dagen per week werkt, en waarin je minstens 2/5 van het wettelijk minimumloon verdient. Dan is loonheffing ook verplicht. De thans geldende minimumlonen vindt u hier. Ben je dus 23 jaar of ouder, én als ondernemer binnen een bedrijf werkzaam aan een klus, die langer dan 30 duurt, én waaraan je twee dagen per week werkt, én die minstens € 614,88 bruto oplevert (2/5 van € 1537,20, jaar 2016)… dan is er een fictief dienstverband aanwezig en is loonheffing verplicht.

Conclusie

Ik concludeer dus:
als fotograaf ben je zelfstandig en zonder gezagsverhouding aan het werk. Dat is dus geen dienstverband. Verder ben je als fotograaf nooit langer dan 30 dagen actief voor een klus en dan is er meteen al geen sprake van een fictief dienstverband.
Je hoeft als fotograaf dus geen modelovereenkomst te gebruiken, want er is nooit een dienstverband, geen echte en geen fictieve.

Vanwege de eerder genoemde vraag ging ik voor de zekerheid dus maar weer eens op het internet op jacht naar informatie. Informatie ligt op straat, leerde ik vroeger, je moet alleen weten waar je moet kijken.

Gelukkig vond ik een factsheet, van de belastingdienst zelf nog wel, waarschijnlijk geschreven door een bovenknuppel, die in zoveel woorden hetzelfde zegt. Vraag 8 luidt: “Is het verplicht om een modelovereenkomst te gebruiken?”

Antwoord: “Nee. Veel zzp’ers weten immers op voorhand al dat zij niet in loondienst werken, zoals de stukadoor bij particulieren thuis of een fotograaf die jaarlijks een teamdag van een bedrijf vastlegt. Als je niet zeker bent of en hoe je buiten dienstverband kunt werken, kan werken volgens een modelovereenkomst zekerheid geven aan beide partijen.”

Wel een voorbehoud dus (“als je niet zeker bent..”), maar voor een fotograaf blijf ik van mening dat een modelovereenkomst niet nodig is.

 

De zekerheid van de DBA

Ik wou nog even terugkomen op dat DBA verhaal dat sinds 2015 de ronde doet. Je weet wel. Tenminste, ik HOOP dat je het weet, want anders komt de fiscus straks de steen waaronder je leeft wegrollen en je financieel uitschudden.  De DBA staat voor Deregulering Beoordeling Arbeidsrelatie en vervangt per 1 mei 2016 de VAR. Die vervanging heeft veel voeten in de aarde – weet ik nu al – omdat staatssecretaris Wiebes van Financiën ook een stempeltje wil drukken op de maatschappij. Zijn collega’s staatssecretaris Dekker (slopen van de omroep en de cultuur), minister Bussemaker (slopen van het onderwijs),  minister Asscher (slopen van de sociale zekerheid), minister Blok (slopen van de woningmarkt), minister Opstelten, staatssecretaris Teeven en minister Van de Steur (slopen van de rechtstaat), gingen hem al voor, dus kwam Wiebes uiteindelijk met de DBA, wat eigenlijk wel neerkomt op het slopen van de ZZP-er.

Ja, dat klinkt hard en zo is het ook wel bedoeld.

Hoe meer ik er over nadenk, verwacht ik toch veel onzekerheid, ellende en sores na de invoering van de DBA. Ik schreef daar al over in een vorige blog  (de fabel van het ZZP-bos en de DBA), maar dat gevoel is versterkt door het bericht in Elsevier Nextens waarin wordt gewaarschuwd voor fictieve dienstbetrekkingen. Dat komt er in het kort op neer dat je dan wel keurig de regeltjes denkt te hebben hebt gevolgd om een dienstbetrekking te vermijden (arbeid, betaling en gezagsverhouding – het ontbreken van een gezagsverhouding tussen opdrachtgever en opdrachtnemer voorkomt dan een dienstbetrekking en dat is geformuleerd in een modelovereenkomst), maar dat de fiscus toch om de hoek kan komen piepen met het vermoeden van een fictieve dienstbetrekking, dus een arbeidsverhouding die langer duurt dan 30 dagen en waarin je minstens 2/5 van het wettelijk minimumloon verdient.

Zo’n modelovereenkomst is dus een ding, maar de onderliggende werksituatie is een ander ding. Daar kan je ook nog eens mee de boot in gaan. Maar dat gegeven is erg onderbelicht en staat niet duidelijk op de radar. Dat is dus een bron van onzekerheid, en mogelijk ook van gedoe, sores en ellende.

Een ander punt dat helemaal niet uitgewerkt is, betreft het toetsingsmechanisme van de fiscus. Stel de volgende dialoog tussen een ZZP-er en een opdrachtgever op de werkvloer eens voor, na 1 mei 2016:
“Hé, de VAR is afgeschaft, we moeten nu met modelovereenkomsten werken!”
“Ja, ik hoorde zoiets. Hoe verzinnen ze het!”
“We moeten er wel mee werken. Dus hoe pakken wij dat aan?”
“Kom even mee naar kantoor. Lossen wij even op.”
<naar kantoor en er wordt gesurfd naar de site van de Belastingdienst voor een toepasselijke modelovereenkomst>
“Hebbes”

Er wordt geprint.

“Als je hier nog even een handtekening zet, zijn wij beiden ook weer gedekt.”

Handtekening wordt gezet.

“Ik ga nu weer terug naar mijn klus, want die wil ik voor de middag klaar hebben, en… ” er volgt nog een hele rij plannen die aanduiden dat het business as usual is.

Dus mijn vraag is: hoe controleert de fiscus de feitelijke werksituatie? Dat is nergens gespecificeerd en vastgelegd. Dat er een handtekening op een modelovereenkomst is geplaatst, wil nog niet zeggen dat de feitelijke werksituatie ineens wordt gewijzigd. In mijn tijd als loonslaaf viel mij al de overweldigende inertie in het bedrijfsleven op, “want zo doen wij het al 20 jaar” en ik verwacht niet dat het plaatsen van een handtekening op een nieuwerwetse modelovereenkomst daar op korte termijn iets aan verandert.
Dat is dus ook een bron van onzekerheid, en mogelijk ook van gedoe, sores en ellende.

Want op een gegeven moment komt de fiscus binnenstappen met een stel niet gespecificeerde en vastgelegde regels in het hoofd en onder de arm, en kan dan zomaar ineens besluiten dat er toch een dienstbetrekking aanwezig is, ondanks die modelovereenkomst. En als je dan als opdrachtgever en opdrachtnemer toch overtuigend aannemelijk kan maken dat er géén dienstbetrekking aanwezig is, kan de fiscus nog eens met een fictieve dienstbetrekking gaan schermen als de opdrachtnemer langer dan 30 dagen en met minstens 2/5 van het wettelijk minimumloon binnen het bedrijf actief is.

Dus ik verwacht helemaal geen zekerheid, maar juist beoordelings- en interpretatieverschillen. Bovendien bestaat geen mogelijkheid om rechtstreeks bezwaar tegen de beslissing van de inspecteur aan te tekenen (bron). Bij meningsverschillen volgt er dus een soort van rechtsgang die wel 2-3 jaar kan duren waarin voortdurend een fiscaal zwaard van Damocles boven het hoofd zwaait.

En daarom stel ik dat de DBA uiteindelijk de ZZP-er sloopt. Niemand wil onder deze onzekerheden nog ZZP-ers inhuren. Niemand wil het risico lopen dat er achteraf toch een (fictieve) dienstbetrekking wordt vastgesteld om daarna uitgeschud en uitgekleed te worden. Ik en mijn gezond verstand verwachten daarom een enorme uitstroom uit ZZP-land. Enerzijds vrijwillig, want er zullen er velen zijn die hun handen hieraan niet willen branden, en anderzijds gedwongen omdat ze eruit geveegd worden en/of geen nieuwe opdrachten meer krijgen. Er komt een diaspora aan, van ZZP-ers die al dan niet gedwongen uitstromen naar andere geledingen van de maatschappij.

De ZZP-wereld wordt dus gesloopt.

En ik handhaaf mijn stelling:
Als je een wet bedenkt, zorg dan dat alles van te voren duidelijk is aan iedereen en vul de wet niet eerst in nadat de wet in werking is getreden.

 

De fabel van het ZZP-bos en de DBA

Er was eens een ZZP-bos waarin de bomen tot in de hemel groeiden. Sommige bomen groeiden wat meer en sommige wat minder, sommige bomen waren jong en sommige waren oud, maar allemaal deden ze wat ze moesten doen. Namelijk blaadjes maken. Die blaadjes maakten ze voor de Plantsoenendienst. Die Plantsoenendienst had namelijk een afspraak met de bomen in het ZZP-bos om zoveel mogelijk blaadjes te maken.

Ze mochten wel eens een keer geen blaadjes maken. Kan gebeuren en dat was niet erg, als het maar niet te vaak gebeurde. Als een boom gemiddeld wel blaadjes maakte, vond de Plantsoenendienst het niet zo erg als een kwartaal niets gebeurde. En elk kwartaal kwam de Plantsoenendienst langs om een deel van de blaadjes op te halen. De meeste bomen lieten ook elk kwartaal braaf een deel van hun blaadjes vallen als de Plantsoenendienst wilde langskomen.

Maar de Plantsoenendienst was niet meer tevreden. Vijftien jaar lang was er een afspraak met de ZZP-bomen om in het volle licht blaadjes te maken en die af te dragen. Maar de Plantsoenendienst zag met lede ogen dat sommige bomen gingen groeien in de schaduw van andere bomen. Dat was niet de bedoeling! Dan maakten ze geen blaadjes. En zonder al die blaadjes werd de opbrengst voor de Plantsoenendienst lager. Dat mocht niet gebeuren!

De Plantsoenendienst verzon daarom een plan. Een plan om de opbrengst aan blaadjes te vergroten. En dat plan was het Doelakkoord Blaadjes Aanwas, de DBA. Die DBA verving dan de vorige afspraak waarin de bomen tot in de hemel konden groeien.

“Hoho!” riepen de bomen in het ZZP-bos die de bui zagen hangen en er belang bij hadden dat alles bleef zoals het was. “Even wachten! Wat gaat er met ons bomen gebeuren? Want wij weten niets van die DBA en hoe moeten wij onze blaadjes maken en laten vallen als wij van niets weten?”

“Komt allemaal goed”, zei de Plantsoenendienst. “Wij weten het ook nog niet precies, maar de bedoeling is dat alle bomen voortaan in het volle licht moeten gaan groeien zodat ze blaadjes gaan maken en die dan aan ons moeten geven als wij daar recht op hebben. Dat zoeken wij nog uit.”

Een paar maanden later kwam de Plantsoenendienst  met een uitgewerkt plan. “Wij weten het!” riep zij. “Zo gaan wij het doen! Wij gaan eerst een jaar kijken hoe jullie uit  de schaduw komen om te groeien. Na dat jaar gaan wij gericht rondlopen en opletten en als wij dan nog een boom zien die in de schaduw van een andere boom staat en niet in het volle licht, dan pakken wij die. Dan gaan wij alle blaadjes die er aan die boom zitten eraf trekken, ook die waar wij eigenlijk geen recht op hadden. Dat is dan de boete om in de schaduw te staan. Had je maar beter moeten weten. ”

Zo geschiedde.

Klaar ben je ermee, dachten de bomen. Nu wordt het ineens helemaal anders. Nu gaat de Plantsoenendienst op ons letten en ons straffen wat we al die jaren deden, en wat blijkbaar altijd goed was. Maar ze snapten het nog niet echt. Ze deden het wel al die jaren goed vonden zij, maar de regels snapten zij niet zo. Ook de nieuwe niet.

Een vol jaar groeiden de bomen door. Elk kwartaal lieten ze weer braaf een deel van hun blaadjes vallen als de Plantsoenendienst langskwam om op te rapen. En een jaar kwam en ging. En een volgend jaar kwam en ging.

En de Plantsoenendienst ging langzaam zien dat sommige bomen wel erg dik in het blad stonden. Terecht of onterecht, dat wist de Plantsoenendienst zelf niet eens. Er was wel een DBA – Doelakkoord Blaadjes Aanwas – maar als sommige bomen dik in het blad stonden waren die blaadjes niet bij de Plantsoenendienst. En als de Plantsoenendienst het niet eens goed wist… nou dan wisten die bomen het vast ook niet goed.

Dus de Plantsoenendienst kwam maar langs bij de dikbebladerde bomen. Niet om te kijken en te controleren. Ze gingen flink schudden aan de dikbebladerde bomen.  “Hier met die blaadjes! Volgens ons staan jullie in de schaduw en dat mag niet! En daarom willen wij al jullie blaadjes hebben! Hier ermee!” Dat ze niet keken en controleerden was van ondergeschikt belang. Ze wilden gewoon die blaadjes, zoveel mogelijk.  “Hoho!” riepen de bomen. “Niet doen!”, hoewel ze niet precies wisten waarom de Plantsoenendienst dat niet moest doen.

Maar het was tegen dovemansoren gericht. Ook de Plantsoenendienst wist de regels niet precies, maar ja, als niemand het precies wist, dan was er ook niemand om de Plantsoenendienst te stoppen. Dus ging de Plantsoenendienst gewoon door met schudden en plukken.

En het bos werd leeggeschud. Boom na boom waarvan werd vermoed dat die in de schaduw stond van een andere boom werd kaalgeplukt. En niemand die de Plantsoenendienst stopte. Kon stoppen, want de regels waren bij niemand precies bekend en dus kon de Plantsoenendienst zijn gang gaan.

Er was ooit een ZZP-bos waarin de bomen tot in de hemel groeiden.

Moraal van dit verhaal:
als je een wet bedenkt, zorg dan dat alles van te voren duidelijk is aan iedereen en vul de wet niet eerst in nadat de wet in werking is getreden.